ECLI:NL:CBB:2020:911
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht op basis van peildatum leidt niet tot individuele buitensporige last
Appellante, een melkveehouder, voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw waarin het fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van het aantal dieren op 2 juli 2015. Zij stelde dat deze peildatum leidde tot een individuele en buitensporige last, omdat zij toen haar veestapel had verminderd en later weer wilde uitbreiden.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het College weegt individuele omstandigheden mee, maar stelt dat ondernemersbeslissingen inherent risico's met zich meebrengen en dat niet ieder vermogensverlies een buitensporige last vormt.
De beslissing van appellante om haar veestapel te verminderen en later weer uit te breiden werd gezien als een ondernemerskeuze en niet als een noodzaak. Haar inschatting dat bij nieuwe maatregelen zou worden uitgegaan van het aantal dieren in 2014 was voor haar eigen risico. Het rapport van Flynth dat financiële nadelen aantoonde, was niet doorslaggevend.
Het College concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de generieke korting terecht is toegepast. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. J.L. Verbeek op 1 december 2020.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.