Appellant verzocht om restitutie van doorverkoopheffing over bloembollen uit oogstjaar 2003, periode I, namens een opgeheven entiteit. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs dat heffingen waren afgedragen. Appellant voerde aan dat de bewijslast bij verweerder lag en dat het onrechtmatig was om de aanvraag af te wijzen zonder verkoopfacturen.
Het College stelde vast dat de bewijslast voor het aantonen van afgedragen heffingen bij appellant ligt en dat de overgelegde aankoopfacturen niet aantonen dat bloembollen zijn verkocht en heffingen zijn betaald. Het beroep tegen het vervangingsbesluit, waarin de afwijzing werd gehandhaafd, werd ongegrond verklaard.
Daarnaast verzocht appellant om schadevergoeding wegens onrechtmatige besluitvorming en overschrijding van de redelijke termijn. Het College oordeelde dat het bestreden besluit onrechtmatig was vanwege motiveringsgebrek, maar dat appellant geen schade had onderbouwd. Wel werd een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding werden vastgesteld op €374 en werden aan appellant toegekend. Het beroep tegen het bestreden besluit werd niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond. De Staat werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.