Appellante, een trustkantoor, kreeg in 2010 een vergunning van De Nederlandsche Bank (DNB). Na een inval van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) in 2016 en de aanhouding van de enig bestuurder ontstonden twijfels over diens betrouwbaarheid. DNB startte een onderzoek en hertoetsing, waarbij bleek dat de integriteitsschendingen structureel waren en niet adequaat werden hersteld.
DNB trok in 2018 de vergunning in op grond van overtredingen van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) en de Regeling integere bedrijfsvoering (Rib 2014), en omdat de betrouwbaarheid van de bestuurder niet langer buiten twijfel stond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij onder meer werd geoordeeld dat het gebruik van informatie van het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst rechtmatig was en dat het afwachten van strafrechtelijke uitspraken niet noodzakelijk was.
In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat de intrekking te zwaar was en dat de bestuurder zich mocht beroepen op het zwijgrecht zonder negatieve gevolgen. Het College oordeelde dat DNB bevoegd was tot intrekking zonder voorafgaande aanwijzing, dat herstel niet realistisch was, en dat het beroep op zwijgrecht niet tot een ander oordeel leidt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.