ECLI:NL:CBB:2021:1050
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening boetebesluit Meststoffenwet wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante verzocht de minister om herziening van een boetebesluit van 30 oktober 2014 wegens overtreding van de Meststoffenwet. De minister wees dit verzoek af op grond van artikel 4:6 Awb Pro omdat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aanvoerde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, ondanks een motiveringsgebrek dat werd gepasseerd.
Appellante stelde dat de minister informatie over marges had achtergehouden, wat haar recht op een eerlijk proces volgens artikel 6 EVRM Pro zou schenden en een nieuw feit zou vormen. Ook voerde zij aan dat het besluit evident onredelijk was omdat de minister na eerdere uitspraken van het College zijn beleid had aangepast en vergelijkbare boetes vernietigde.
Het College overwoog dat uitspraken van rechterlijke instanties geen nieuwe feiten zijn in de zin van artikel 4:6 Awb Pro en dat het ontbreken van nieuwe feiten de afwijzing in beginsel kan dragen. Het College vond dat de minister terecht een terughoudend beleid voert bij herziening van besluiten met formele rechtskracht en dat appellante geen bijzondere omstandigheden had gesteld die het belang van appellante boven dat van rechtszekerheid plaatsten.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het College zag geen aanleiding om de minister te veroordelen in proceskosten. De motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar werd terecht gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om herziening van het boetebesluit wordt bevestigd.