ECLI:NL:CBB:2021:352
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatruimte en generieke korting bij gescheiden melkveehouderij en akkerbouwbedrijf
Appellante, bestaande uit een melkveehouderij en een akkerbouwbedrijf die administratief gescheiden waren maar feitelijk samenwerkten, stelde dat de negen percelen landbouwgrond die aan het akkerbouwbedrijf ter beschikking waren gesteld, bij de fosfaatruimte van de melkveehouderij betrokken moesten worden.
Verweerder had deze percelen buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van het fosfaatrecht en de generieke korting van 8,3% toegepast. Het College oordeelde dat de melkveehouderij niet de feitelijke beschikkingsmacht had over deze percelen, omdat het akkerbouwbedrijf deze percelen in gebruik had en de bedrijven in het maatschappelijk verkeer als afzonderlijke entiteiten opereerden. Het feit dat mest werd afgezet op de percelen maakte dit niet anders.
Verder stelde appellante dat de generieke korting een individuele en buitensporige last vormde, maar het College verwierp dit omdat het fosfaatrechtenstelsel voor niet-grondgebonden bedrijven deze korting standaard toepast en ondernemersbeslissingen inherent risico's met zich meebrengen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de generieke korting bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de generieke korting op het fosfaatrecht bevestigd.