Appellante stelde beroep in tegen een bestuursrechtelijk besluit over haar fosfaatrecht. Na diverse besluiten, waaronder een vervangingsbesluit dat tegemoet kwam aan appellante, trok zij het beroep in en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van proceskosten.
Het College oordeelde dat de redelijke termijn begon op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigde bij bekendmaking van het vervangingsbesluit. De termijn was met ongeveer drie maanden overschreden, volledig toe te rekenen aan verweerder. Op grond hiervan werd een schadevergoeding van €500 toegekend.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief het betaalde griffierecht. De procedure werd zonder zitting gesloten omdat partijen geen gebruik wilden maken van het recht op mondelinge behandeling.
Het oordeel is gebaseerd op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en vaste jurisprudentie over redelijke termijnen in bestuursrechtelijke procedures. Het College benadrukte dat de termijnoverschrijding niet gerechtvaardigd was en volledig aan verweerder kon worden toegerekend.