Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juni 2021 in de zaak tussen
[naam ] , te [plaats ] , appellant
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.Dit besluit behelst de coördinatie van het opstellen van een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan en het verlenen van een omgevingsvergunning. In de loop van 2014 is appellant gestart met de realisatie van zijn plannen. Hij is lid geworden van FrieslandCampina met de bedoeling om in het voorjaar van 2015 te gaan melken en heeft uitvoering gegeven aan de groen-voor-groen-regel door een agrarisch bouwblok aan te kopen en de bestaande melkveestal af te breken. Daarnaast worden er in opdracht van appellant onderzoeken uitgevoerd, zoals een bodemonderzoek en een archeologisch onderzoek, de grond wordt gesondeerd, er worden KLIC-meldingen gedaan en een toets in het kader van de Natuurbeschermingswet (Nbw). Ook verwerft appellant voor € 70.000,- ammoniakrechten. Ter financiering van de eerste investeringen heeft appellant op 15 juli 2014 een onderhandse lening afgesloten voor € 100.000,-. Op 27 augustus 2014 is door appellant een melding gedaan als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (melding Activiteitenbesluit) voor de oprichting van een melkveebedrijf aan de [adres] voor het houden van 140 melk- en kalfkoeien. Op 3 oktober 2014 heeft appellant een omgevingsvergunning (bouwen) voor het melkveebedrijf aan de [adres] aangevraagd. Het bouwen was destijds nog in strijd met het bestemmingsplan.
Indien de exploitant niet voldoet aan een verplichting in deze overeenkomst verbeurt hij, zodra hij in verzuim is, een onmiddellijk opeisbare boete van exploitant € 50.000,- alsmede een boete van exploitant € 3000,- per dag dat het niet voldoen van de verplichting voortduurt, zulks onverminderd het recht van een partij om nakoming te eisen.
Appellant had in 2013 een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de opbouw van een nieuwe boerderij met 140 melk- en kalfkoeien, de daarvoor benodigde bestemmingsplanwijziging met de daaruit voor appellant voortvloeiende verplichtingen en de daarmee gemoeide investeringen voor hem op dat moment meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich bracht. Van een bedrijfseconomische noodzaak of dwingende reden om op dat moment te starten met de opbouw van een nieuw bedrijf is niet gebleken, zodat het College tot de conclusie komt dat de investeringsbeslissingen van appellant niet navolgbaar zijn. Ten aanzien van de periode na 2 juli 2015 overweegt het College als volgt. Alhoewel het College, zoals hiervoor overwogen, het begrijpelijk acht dat appellant zich uiteindelijk gedwongen heeft gevoeld om zijn plannen door te zetten, komen de door hem gedane investeringen na 2 juli 2015 naar het oordeel van het College toch voor zijn risico. Appellant had, nadat hij op de hoogte raakte van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel, ervoor kunnen kiezen om af te zien van verdere investeringen en zijn verlies te nemen. Dat er op dat moment geen mogelijkheid was, om in overleg met de gemeente, af te zien van uitvoering van de exploitatie-overeenkomst en om van uitvoering van de bouwvergunning af te zien is niet gebleken. Dat appellant dat niet heeft gedaan en uiteindelijk, naar het College begrijpt, ook in de hoop dat hij in aanmerking zou komen voor toepassing van de knelgevallenregeling, zijn plannen heeft doorgezet is een ondernemerskeuze. Dat die keuze verkeerd heeft uitgepakt en appellant uiteindelijk niet in aanmerking komt voor toepassing van de knelgevallenregeling, is onder meer het gevolg van de keuze van de bank om de financiering te bevriezen, maar ook van de beslissing van appellant om eind 2017 eerst een huis te bouwen en daarna pas de stallen, terwijl anders dan appellant heeft gesteld, hij de vorige woning vrijwillig heeft verlaten.