Appellante heeft beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Landbouw over de vaststelling van haar fosfaatrechten, waarbij het fosfaatrecht aanvankelijk werd vastgesteld, vervolgens verlaagd en later verhoogd via een vervangingsbesluit. Het beroep tegen het bestreden besluit werd niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond.
Appellante verzocht om schadevergoeding wegens onrechtmatige besluitvorming, omdat zij door de verlaging van haar fosfaatrechten schade zou hebben geleden, onder meer door het moeten aankopen van vervangende fosfaatrechten en misgelopen inkomsten. Verweerder erkende de onjuistheid van eerdere besluiten, maar wees de meeste schadeposten af wegens gebrek aan causaal verband en onvoldoende bewijs.
Het College oordeelde dat de onrechtmatigheid van het lagere fosfaatrecht was erkend met het vervangingsbesluit dat een hoger rechtmatig fosfaatrecht toekent. Schade als gevolg van het niet kunnen leveren van fosfaatrechten was veroorzaakt door een ander onherroepelijk besluit en niet toewijsbaar. Ook was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellante daadwerkelijk schade had geleden door het niet kunnen benutten van fosfaatrechten.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden met ruim 17 maanden, waarvoor een vergoeding van € 1.500,- werd toegekend, verdeeld tussen verweerder en de Staat. Daarnaast werden proceskosten aan appellante toegekend.
De uitspraak bevestigt dat schadevergoeding wegens onrechtmatige bestuursbesluiten alleen wordt toegekend bij voldoende causaal verband en bewijs van daadwerkelijke schade, en benadrukt het belang van tijdige behandeling van procedures.