Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 januari 2017.
Hoge Raad
In deze zaak vordert een werknemer schadevergoeding van het UWV wegens het verlenen van een ontslagvergunning na een onvoldoende en onjuist onderzoek. De werknemer was sinds 1990 in dienst bij een drukkerij en werd ontslagen na een vergunning verleend door het UWV, ondanks dat hij verweer had gevoerd tegen de ontslagaanvraag.
Het UWV erkende onzorgvuldig en onrechtmatig te hebben gehandeld door het verweer van de werknemer niet adequaat mee te wegen en zonder nader onderzoek een ontslagvergunning te verlenen. Het geschil spitste zich toe op het causaal verband tussen dit onrechtmatige handelen en het ontslag.
Het hof stelde vast dat het UWV de vergunning had moeten weigeren indien het wel zorgvuldig had gehandeld en kende de werknemer een schadevergoeding toe. De Hoge Raad bevestigde dat het causaal verband moet worden beoordeeld aan de hand van de hypothetische situatie waarin het UWV correct had gehandeld en verwierp het verweer van het UWV dat een rechtmatig besluit met dezelfde schade het causaal verband uitsluit.
De Hoge Raad wees het beroep van het UWV af en veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten. Hiermee is de aansprakelijkheid van het UWV voor onrechtmatige overheidsdaad bij het verlenen van ontslagvergunningen zonder zorgvuldig onderzoek bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt verworpen en de aansprakelijkheid voor onrechtmatige overheidsdaad wordt bevestigd.