ECLI:NL:CBB:2021:803
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatruimte en grondgebondenheid melkveebedrijf in fosfaatrechtenstelsel
Appellante exploiteert een melkveebedrijf en betwist de vaststelling van haar fosfaatruimte door verweerder. Zij stelt dat zij feitelijke beschikkingsmacht had over 54,05 hectare landbouwgrond die zij onder andere relatienummers had opgegeven om nadelige gevolgen van de Wvgm te voorkomen. Verweerder heeft de fosfaatruimte vastgesteld op basis van de grond die op 15 mei 2015 tot het bedrijf behoorde en de generieke korting toegepast omdat appellante niet grondgebonden is.
Het College overweegt dat voor de vaststelling van de fosfaatruimte bepalend is of appellante op 15 mei 2015 feitelijke beschikkingsmacht had over de grond. Appellante heeft dit niet aangetoond, mede omdat de grond onder andere bedrijven was opgegeven en er geen afspraken waren over gezamenlijk gebruik. De keuze van appellante om grond onder andere relatienummers op te geven was bewust om negatieve gevolgen van de Wvgm te voorkomen.
Verder is het betoog dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last oplegt afgewezen. Het College stelt dat ondernemersbeslissingen inherent risico’s met zich meebrengen en dat de generieke korting voor niet-grondgebonden bedrijven voor alle melkveehouders geldt. De belangen van milieu en volksgezondheid wegen zwaarder dan de belangen van appellante. Het beroep is ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de generieke korting op haar fosfaatrecht blijft van toepassing.