ECLI:NL:CBB:2022:136
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Subsidie sanering varkenshouderijen en buitenuitlopen niet als dierenverblijf erkend
In deze zaak heeft appellant beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij een subsidiebedrag werd vastgesteld voor de sanering van een varkenshouderij. Appellant betoogde dat de buitenuitlopen op zijn bedrijf ten onrechte niet als dierenverblijf werden meegeteld bij de subsidie, omdat deze buitenuitlopen integraal deel uitmaken van de leefomgeving van de varkens en voldoen aan de eisen van het ‘3 sterren Beter Leven keurmerk’. Daarnaast stelde appellant dat de subsidieregeling onvoldoende rekening houdt met dergelijke diervriendelijke bedrijfsvoering, wat leidt tot ongelijke behandeling en een kennelijk onredelijke belangenafweging.
De minister handhaafde het subsidiebedrag en verweerde zich met het standpunt dat de subsidieregeling strikt voorschrijft dat alleen overdekte ruimten als dierenverblijf gelden en dat hij geen beleidsruimte heeft om hiervan af te wijken. Tevens wees de minister op de forfaitaire berekeningsmethode van de vervangingswaarde en de publieke consultatie voorafgaand aan de regeling.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de buitenuitlopen niet als dierenverblijf kunnen worden aangemerkt omdat zij niet overdekt zijn, zoals vereist in de regeling. Het College stelde dat de subsidieregeling binnen de ruime beleidsruimte van de minister valt en niet in strijd is met hogere regelgeving of het evenredigheidsbeginsel. Het verzoek van appellant om de regeling exceptief te toetsen werd verworpen. Het College vond de verhouding tussen de gevraagde extra subsidie en de investeringen niet in balans en wees op de compensatie voor mestopslag die appellant ontving.
Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en het subsidiebedrag van € 203.115,43 werd gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het subsidiebedrag van € 203.115,43 wordt gehandhaafd.