Verzoeker heeft schade geleden doordat zijn fosfaatrechten in 2018 onrechtmatig werden verlaagd van 246 kg naar 22 kg en een overdracht van 144,5 kg fosfaatrechten werd afgewezen. Hierdoor kon hij een eerder gesloten verkoopovereenkomst niet volledig uitvoeren. Na herroeping van het herzieningsbesluit in 2020 kon hij de fosfaatrechten tegen een lagere prijs verkopen.
Verweerder betwistte de toerekenbaarheid en stelde dat het relativiteitsvereiste niet was voldaan, mede omdat het besluit van 26 oktober 2018 onherroepelijk was geworden. Het College oordeelde echter dat de onrechtmatigheid van het herzieningsbesluit vaststaat en dat de schade en het causaal verband voldoende aannemelijk zijn gemaakt.
Het College volgt het schadevergoedingsrecht uit het Burgerlijk Wetboek en stelt vast dat verzoeker de schade kan verhalen omdat hij de fosfaatrechten in 2018 tegen een hogere prijs had kunnen verkopen. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €14.882,55 plus wettelijke rente en vergoeding van proceskosten en griffierecht.