Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2022 op het hoger beroep van:
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, appellant, (de minister)(gemachtigde: mr. M.M. de Vries),
ROT 17/5139, ROT 17/5140 en ROT 17/5142, in het geding tussen
de minister en [naam 1] Pluimvee B.V., te [woonplaats 1] , verweerster, ( [naam 1] )
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Standpunten van partijen
De minister richt zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is bewezen dat het in het slachthuis geconstateerde letsel is ontstaan bij het vangen van de kuikens. De minister heeft daarbij gewezen op uitspraken van het College in vergelijkbare zaken, waarin het College de methode die voor het vaststellen van het vangletsel is gevolgd juist heeft bevonden. Ook heeft de minister gewezen op latere uitspraken van de rechtbank, zoals de uitspraak van 3 april 2020 (ECLI:NL:RBROT:2811), waarin de rechtbank naar aanleiding van de door de minister over de methode gegeven toelichting geen aanleiding meer zag om de hiervoor genoemde uitspraak van 22 januari 2020 te volgen.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Door de bedwelming vertraagt de hartslag waardoor bloedingen klein blijven. Bloedingen van 3 cm of groter moeten dan ook bij de kuikens zijn ontstaan in de periode dat zij nog bij bewustzijn waren. Namens de minister is ten slotte nog toegelicht dat in de stukken in een enkele passage “3 cm2” is vermeld, maar dat dat op een vergissing berust. De in de vangletseltellingformulieren vermelde letsels zijn steeds minimaal 3 cm lang. De senior toezichthoudend dierenarts heeft in dit verband ook verklaard dat hierbij als hulpmiddel gebruik wordt gemaakt van een slachthuispen, waarvan het clipje precies 3 cm groot is.