Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelde het hoger beroep van een pluimveebedrijf tegen een boete van € 4.500,- opgelegd door de minister van Landbouw wegens het veroorzaken van vangletsel bij kuikens. De boete was gebaseerd op een rapport van de NVWA waarin ernstige vleugelletsel werd vastgesteld bij kuikens afkomstig van het pluimveebedrijf, vastgesteld via vangletseltellingen aan de slachtlijn.
De rechtbank Rotterdam had de boete bevestigd en geoordeeld dat de minister bevoegd was om de boete op te leggen, ook al was het pluimveebedrijf een vangploeg ingehuurd. Het College bevestigt dit oordeel en wijst het betoog van het pluimveebedrijf af dat de methode voor het vaststellen van vangletsel niet betrouwbaar zou zijn. Het College overweegt dat de toezichthouder deskundig is en dat de gehanteerde methode valide is, ook gelet op eerdere jurisprudentie.
Het College erkent dat de procedure langer dan de redelijke termijn heeft geduurd en matigt daarom de boete met 10%, waardoor het bedrag wordt vastgesteld op € 4.050,-. Daarnaast veroordeelt het College de minister in de proceskosten en draagt zij op het griffierecht aan het pluimveebedrijf te vergoeden. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft en het bestreden besluit wordt vernietigd in dat onderdeel.