Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] , te [plaats] , verzoekster
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling
Het primaire besluit
De honden hadden dertig dagen na een vaccinatie tegen rabiës een titreringstest op rabiësantilichamen moeten ondergaan (artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 76, eerste lid, aanhef en onder b). Dat is niet gebeurd. Ook is niet voldaan aan de eis dat de honden niet eerder dan drie maanden na verzameling van het monster waarop de titreringstest is uitgevoerd Nederland mogen worden binnengebracht (artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b in verbinding met artikel 76, eerste lid, aanhef en onder b en bijlage XXI, punt 1). Bovendien ontbraken de vereiste officiële gezondheidscertificaten voor de honden (artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 3, aanhef en onderdeel b, onder i.). Omdat Oekraïne wordt aangemerkt als een gebied met een hoog risico op rabiësbesmetting, zijn de honden bij de controle meegevoerd en onder officieel toezicht in afzondering (quarantaine) geplaatst op een (externe) opvanglocatie in verband met het risico op insleep van rabiës in Nederland. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit besluit op schrift gesteld. Verweerder heeft daarbij bepaald dat ten minste dertig dagen na de vaccinatie tegen rabiës een titreringstest wordt uitgevoerd op een bloedmonster van de honden, dat de honden vanaf de dag waarop het bloedmonster voor de titreringstest is verzameld gedurende drie maanden onder officieel toezicht worden afgezonderd en dat de honden worden voorzien van een identificatiedocument.Verweerder heeft deze maatregelen volgens het primaire besluit genomen op grond van artikel 138, eerste lid en tweede lid, onder a en b, van Verordening (EU) 2017/625 [2] (de Controleverordening) en artikel 5.4, vierde lid, onder a en b, van de Wet dieren.
Spoedeisend belang
Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat de afzondering negatieve effecten heeft op de sociale ontwikkeling van de honden (met name de pup). Zij wil de honden zo snel mogelijk weer bij haar thuis houden om verdere schade te voorkomen en te kunnen starten met hun training. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster haar stellingen heeft onderbouwd met rapportages van [naam 5] , gedragsbioloog, gespecialiseerd in het gedrag van honden, en [naam 6] , dierenarts-microbioloog, onder andere verbonden aan de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Verweerder heeft bovendien erkend dat de officiële quarantaine effect heeft op de socialisatie van de dieren. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende redenen om aan te nemen dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Welke gezondheidsvoorschriften zijn van toepassing?
Heeft verzoekster de gezondheidsvoorschriften overtreden?
Proceskosten
Beslissing
- schorst het primaire besluit;
- bepaalt dat verweerder de drie honden onverwijld teruggeeft aan verzoekster;
- bepaalt dat verweerder verzoekster de opdracht geeft deze honden, aansluitend aan de teruggave, op haar woonadres af te zonderen (in thuisquarantaine te houden) tot 1 augustus 2022;
- bepaalt dat verweerder verzoekster opdraagt ervoor te zorgen dat de honden een identificatiedocument krijgen, voor zover dit nog niet is gebeurd;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoekster te vergoeden;
€ 1.835,-.