Appellante, een pluimveehouder, maakte bezwaar tegen de heffing van €13.991,04 uit hoofde van het Diergezondheidsfonds 2018, omdat zij meende dat de heffing onevenredig was, met name vanwege de aankoop van ruikippen die al eerder waren belast en een lage waarde hadden. Het bezwaar werd door verweerder ongegrond verklaard, waarna appellante beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Het College overwoog dat de heffing gebaseerd is op de gewijzigde Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) die sinds 2018 een nieuw heffingsstelsel kent waarbij pluimveehouders worden belast per koppel dieren bij binnenkomst. De wetgever heeft daarbij geen uitzondering gemaakt voor ruikippen, ondanks het risico van dubbele heffing. Het College oordeelde dat dit geen bijzondere omstandigheid vormt die afwijkt van de belangenafweging van de wetgever en dat de heffing een normaal bedrijfsrisico betreft.
Ten aanzien van de hoogte van de tarieven stelde het College vast dat deze zijn vastgesteld in een algemeen verbindend voorschrift na overleg met de pluimveesector en dat de tarieven ook rekening houden met tekorten uit eerdere jaren. De klachten van appellante over de hoogte van de tarieven en de late communicatie over de heffingssystematiek werden niet gegrond verklaard.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.