Appellante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 10 mei 2022, waarin haar beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 14 september 2021 ongegrond werd verklaard. Dit besluit betrof de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellante tegen een eerder besluit, vanwege een niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
De bezwaartermijn eindigde op 3 maart 2021, maar het bezwaarschrift werd pas op 9 april 2021 ontvangen, wat te laat was. Appellante voerde aan dat het College haar standpunten niet had betrokken, met name dat zij niet had ingestemd met digitale correspondentie en dat haar financiële belangen onvoldoende waren meegewogen.
Het College oordeelde dat appellante op het aanvraagformulier had aangegeven in te stemmen met digitale correspondentie en dat zij daarom alert had moeten zijn op de notificatie per e-mail van 4 december 2020. De termijnoverschrijding was niet verschoonbaar en de financiële gevolgen van het besluit speelden geen rol bij de niet-ontvankelijkverklaring. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de zaak is hiermee beëindigd.