ECLI:NL:CBB:2023:222
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- H. van den Heuvel
- J.L. Verbeek
- I.M. Ludwig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens referentieperiode Q1 2019
Appellante [naam 1] B.V. heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat waarbij haar aanvraag voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021 werd afgewezen. De minister wees het bezwaar af omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden, waaronder het vereiste omzetverlies van ten minste 30% ten opzichte van de referentieperiode Q1 2019.
Appellante stelde primair dat zij een keuze had moeten krijgen voor een andere, meer representatieve referentieperiode, zoals Q3 of Q4 2019, en deed een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Subsidiair voerde zij aan dat de uitzondering voor startende ondernemingen van toepassing zou moeten zijn, omdat zij feitelijk pas in 2019 met haar activiteiten was begonnen. De minister handhaafde de standaardreferentieperiode Q1 2019, omdat de regeling geen keuzemogelijkheid bood en appellante niet viel onder de uitzonderingen.
Het College oordeelde dat de keuze voor Q1 2019 als referentieperiode niet onrechtmatig is en dat de uitzondering voor startende ondernemingen niet op appellante van toepassing is, omdat zij al sinds 2010 in het handelsregister stond ingeschreven. Het evenredigheidsbeginsel werd niet geschonden, aangezien er geen sprake was van een zeer uitzonderlijk geval en appellante reeds compensatie had ontvangen voor omzetverlies in andere kwartalen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wordt ongegrond verklaard.