ECLI:NL:CBB:2023:289
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering TVL-subsidie vierde kwartaal 2020 wegens onjuistheden in aanvraag
Een restaurant exploiterende onderneming ontving voor het vierde kwartaal van 2020 een TVL-subsidie. De minister trok deze subsidie in en vorderde het betaalde voorschot terug omdat onjuiste of onvolledige gegevens waren verstrekt bij de aanvraag. De onderneming voerde aan dat de minister ten onrechte was uitgegaan van de datum van inschrijving in het handelsregister als startdatum van de onderneming, terwijl het restaurant pas later geopend was.
De minister stelde dat de startdatum van de referentieperiode objectief bepaald moet worden aan de hand van de datum waarop alle noodzakelijke vergunningen waren verleend, namelijk 20 december 2019. Het College bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de datum van vergunningverlening een objectief bepaalbaar feit is en dat de latere feitelijke opening geen juridische belemmering oplevert.
De onderneming stelde dat het omzetverlies meer dan 30% bedroeg als rekening werd gehouden met de feitelijke opening en de datum van ontvangst van de vergunning. Het College volgde dit niet, mede omdat de omzetverliesdrempel ook bij de alternatieve datum niet werd gehaald. Tevens oordeelde het College dat het evenredigheidsbeginsel niet werd geschonden, omdat het intrekken van de subsidie noodzakelijk en evenwichtig is om te waarborgen dat de subsidie terechtkomt bij de daarvoor in aanmerking komende ondernemers.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de TVL-subsidie wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister gehandhaafd.