Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[de pluimveehouderij] , te [woonplaats] (de pluimveehouderij)(gemachtigde: J.A. Brok)
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De pluimveehouderij werd beboet wegens het veroorzaken van vangletsel bij kuikens, vastgesteld door een NVWA-toezichthouder tijdens een inspectie in juli 2019. De minister legde een boete van €1.500,- op wegens overtreding van de Wet dieren en de Transportverordening. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van de pluimveehouderij ongegrond, waarbij de bevindingen van de toezichthouder en de gehanteerde vangletseltelling als betrouwbaar werden beoordeeld.
In hoger beroep betwistte de pluimveehouderij de betrouwbaarheid van het rapport van bevindingen, onder meer vanwege vermeende niet-naleving van de Toelichting vangletseltelling, ontbrekende bijlagen en inconsistenties met bewijzen van afkeuring. Het College oordeelde dat de telling conform de NVWA-instructie was uitgevoerd en dat de bezwaren onvoldoende waren om aan de deskundigheid van de toezichthouder te twijfelen.
Het College stelde vast dat de minister terecht de overtreding had vastgesteld en bevoegd was de boete op te leggen. Wel werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met vier weken, wat leidde tot een matiging van de boete met 5%, waardoor de boete werd vastgesteld op €1.425,-. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan de pluimveehouderij.
Uitkomst: Boete voor vangletsel bevestigd en gematigd tot €1.425,- wegens overschrijding redelijke termijn.