ECLI:NL:CBB:2023:691
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies
De onderneming exploiteert een kledingwinkel en vroeg voor het eerste kwartaal van 2021 subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister stelde de subsidie uiteindelijk vast op € 0,- omdat het omzetverlies van de onderneming in die periode slechts 23,5% bedroeg, terwijl het vereiste omzetverlies minimaal 30% is. De onderneming betoogde dat de referentieperiode onrealistisch was omdat zij na de referentieperiode een tweede vestiging had geopend, waardoor de omzet in de subsidieperiode van twee winkels werd vergeleken met de omzet van één winkel in de referentieperiode. Zij verzocht om een andere referentieperiode of een uitzondering.
Het College oordeelde dat de regeling geen mogelijkheid biedt om af te wijken van de referentieperiode en dat het openen van een extra vestiging geen uitzonderlijke omstandigheid vormt die een uitzondering rechtvaardigt. De minister heeft de subsidie daarom terecht op nihil vastgesteld en het voorschot teruggevorderd. Daarnaast stelde het College vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep was overschreden, waardoor de minister werd veroordeeld tot betaling van € 500,- aan immateriële schadevergoeding.
De uitspraak bevestigt dat de TVL-regeling strikt wordt toegepast en dat uitzonderingen alleen in zeer bijzondere gevallen worden gemaakt. De procedure benadrukt ook het belang van tijdige besluitvorming door bestuursorganen.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming wordt ongegrond verklaard en de subsidie terecht op nihil vastgesteld; de minister wordt veroordeeld tot betaling van € 500,- immateriële schadevergoeding.