ECLI:NL:CBB:2023:38
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten financiering COVID-19 vanwege gehanteerde referentieperiode
Appellant heeft subsidie aangevraagd op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021. De minister wees de aanvraag af omdat het omzetverlies ten opzichte van de referentieperiode Q1 2019 niet ten minste 30% bedroeg. Appellant voerde aan dat een andere referentieperiode, zoals Q1 2020, had moeten worden gehanteerd vanwege groei van zijn onderneming en dat de regeling onrechtmatig is.
Het College overwoog dat de regeling voor Q1 2021 expliciet voorschrijft dat alleen Q1 2019 als referentieperiode geldt, zonder keuzemogelijkheid. De keuze van de wetgever is bewust gemaakt om overlap met de lockdown te voorkomen. De groei van appellant's onderneming vormt geen uitzonderlijke omstandigheid die afwijking rechtvaardigt. Ook het ontbreken van een hardheidsclausule is niet onrechtmatig gezien het doel en de uitvoerbaarheid van de regeling.
Daarnaast werd het beroep wegens vermeend vormverzuim afgewezen omdat de klachten over de afhandeling van het bezwaar via de juiste procedures zijn behandeld en geen aanleiding geven tot vernietiging van het besluit. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard.