ECLI:NL:CBB:2024:102
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste referentieperiode voor subsidie vaste lasten financiering COVID-19
De onderneming, actief in de bioscopenbranche en sinds 11 februari 2019 ingeschreven in het handelsregister, diende een aanvraag in voor de TVL-subsidie over Q2 2021. De minister kende de subsidie toe op basis van de door de onderneming opgegeven referentieperiode Q3 2020. De onderneming stelde dat een alternatieve referentieperiode, Q3 2019, gehanteerd moest worden, omdat zij feitelijk pas op 23 mei 2019 met de exploitatie was gestart.
De minister verwees naar de regeling die voor Q2 2021 uitsluitend de keuze biedt tussen Q2 2019 of Q3 2020 als referentieperiode, waarbij de inschrijfdatum in het handelsregister bepalend is. De eerdere jurisprudentie over de start van activiteiten was niet meer van toepassing sinds de regeling voor Q2 2021 was aangepast.
Het College bevestigde dat de minister de regeling correct toepast door uit te gaan van de inschrijfdatum en de door de onderneming gekozen referentieperiode. Er was geen sprake van bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.