De onderneming, actief in coaching en trainingen voor de zorgsector, diende beroep in tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat dat de subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 op €5.268,59 vaststelde. De onderneming betoogde dat de minister een onjuiste systematiek hanteerde bij de vaststelling van de referentieomzet, waarbij voor Q1 2021 het factuurstelsel werd toegepast in plaats van de door de onderneming gebruikte prestatiedatum, zoals bij andere kwartalen.
De minister verdedigde zijn standpunt met verwijzing naar artikel 2.2.2, zesde lid, van de TVL-regeling en eerdere jurisprudentie, en stelde dat de omzet op basis van de factuurdatum moet worden bepaald. Na nader onderzoek bleek dat de minister bij andere subsidieperiodes fouten had gemaakt, maar dat de onderneming niet in haar belangen was geschaad omdat zij meer subsidie had ontvangen dan waarop recht bestond.
Het College oordeelde dat het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is dat de minister voor Q1 2021 afwijkt van de gehanteerde systematiek bij andere kwartalen en dat de door de onderneming opgegeven referentieomzet betrokken moet worden bij de vaststelling. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten.