ECLI:NL:CBB:2024:611
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies
De minister van Economische Zaken wees de subsidieaanvraag van een onderneming voor de TVL over het eerste kwartaal van 2022 af omdat niet voldaan was aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De onderneming voerde aan dat de minister ten onrechte de inschrijfdatum in het handelsregister als referentieperiode hanteerde, terwijl zij feitelijk later was gestart met haar activiteiten. Tevens stelde zij dat de minister onjuist de gerealiseerde omzet gebruikte in plaats van de verwachte omzet en dat het omzetverlies op groepsniveau had moeten worden beoordeeld.
Het College overwoog dat voor subsidieaanvragen vanaf Q1 2021 de inschrijfdatum in het handelsregister bepalend is voor de referentieperiode, waardoor de uitzondering voor startende ondernemers niet van toepassing is. De minister mocht de omzetgegevens van de Belastingdienst gebruiken ter controle en hoefde niet uit te gaan van de door de onderneming opgegeven schatting. Bovendien biedt de regeling geen mogelijkheid om omzetverlies op groepsniveau te berekenen.
De onderneming voerde ook aan dat de afwijzing in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en dat zij werd benadeeld door de gedwongen sluiting tijdens de COVID-19-pandemie, waarbij zij een beroep deed op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Het College verwierp deze gronden en concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die een afwijking van de regeling rechtvaardigden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de afwijzing van de TVL-subsidie voor Q1 2022 wordt ongegrond verklaard.