ECLI:NL:CBB:2024:705
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies
De onderneming heeft een subsidieaanvraag ingediend op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat uit gegevens van de Belastingdienst bleek dat de onderneming niet voldeed aan de vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De onderneming stelde dat zij als startende onderneming een afwijkende referentieperiode zou moeten krijgen en dat er sprake was van ongerechtvaardigd onderscheid tussen ondernemers die zich vóór en na 31 december 2018 hebben ingeschreven in het handelsregister.
Het College overwoog dat de eerdere jurisprudentie over het begrip 'start van de activiteiten' alleen van toepassing was op subsidieperiodes tot en met Q1 2021. Voor latere periodes, waaronder Q1 2022, is alleen de inschrijfdatum in het handelsregister van belang. Omdat de onderneming op 12 oktober 2018 is ingeschreven, komt zij niet in aanmerking voor een afwijkende referentieperiode. Ook faalde het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat het onderscheid tussen ondernemers niet ongerechtvaardigd is en de financiële gevolgen van de afwijzing niet leiden tot een onevenredige beslissing.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 15 oktober 2024 door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de afwijzing van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor Q1 2022 wordt ongegrond verklaard.