In deze zaak gaat het om het hoger beroep van [naam 1] B.V. tegen boetes opgelegd door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur wegens het vervoeren van zeugen die niet geschikt waren voor transport omdat zij zich niet pijnloos en zonder hulp konden bewegen. De boetes van € 1.500,- per overtreding werden door de rechtbank Rotterdam vernietigd vanwege schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en overschrijding van de wettelijke termijn, maar de rechtsgevolgen bleven in stand.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft de zaak inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de rapporten van bevindingen van de NVWA-toezichthouders voldoende duidelijk en onderbouwd zijn om vast te stellen dat de zeugen ernstig kreupel waren vóór het transport. De stellingen van [naam 1] dat de dieren licht gewond waren en dat de rapporten onvoldoende waren onderbouwd, werden verworpen. Het College bevestigde dat de minister bevoegd was de boetes op te leggen.
Wel matigde het College de boetes vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in het EVRM en het interne matigingsbeleid van de NVWA. Voor boetezaak I werd een korting van 10% toegepast wegens meer dan zeven maanden vertraging tussen overtreding en kennisgeving, en een extra matiging van 5% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor boetezaak II werd alleen de 5% matiging wegens redelijke termijn toegepast. Het College vernietigde het deel van de uitspraak dat de boetes niet matigde en stelde de boetes vast op respectievelijk € 1.282,50 en € 1.425.
Daarnaast veroordeelde het College de minister tot vergoeding van de proceskosten van [naam 1] in hoger beroep en tot vergoeding van het griffierecht. Voor het overige bevestigde het College de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige kennisgeving en zorgvuldige onderbouwing van overtredingen in bestuursrechtelijke handhaving van dierenwelzijnsregels.