ECLI:NL:CBB:2024:825
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidieaanvragen vaste lasten COVID-19 wegens niet tijdige indiening niet in strijd met evenredigheidsbeginsel
De ondernemer diende subsidieaanvragen in voor de vaste lasten financiering COVID-19 (TVL 1 en TVL) voor verschillende perioden, maar deze werden afgewezen omdat ze buiten de daarvoor gestelde aanvraagperioden waren ingediend. De minister wees de aanvragen af en verklaarde de bezwaren ongegrond. De ondernemer voerde aan dat het niet mogelijk was tijdig een aanvraag te doen vanwege een onjuiste SBI-code en een fout in het systeem waardoor hij niet als starter werd aangemerkt.
Het College oordeelde dat het afwijzen van de aanvragen niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De ondernemer had de aanvraagprocedure kunnen afronden of contact kunnen opnemen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De pop-up melding dat geen aanspraak op subsidie kon worden gemaakt, was geen reden om de aanvraag niet in te dienen. De ondernemer bracht geen bijzondere omstandigheden aan die de afwijzing onevenredig maken.
Verder verduidelijkte het College dat de eerdere uitspraak waarin de ondernemer als starter werd aangemerkt, betrekking had op een andere regeling en situatie. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de subsidieaanvragen worden ongegrond verklaard omdat de aanvragen buiten de aanvraagperiode zijn ingediend en dit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.