De onderneming diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021. De minister wees deze aanvraag af omdat de onderneming niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies en de berekende vaste lasten lager waren dan het minimumbedrag van € 1.500,-.
De onderneming voerde aan dat zij benadeeld werd doordat de minister als referentieperiode de inschrijvingsdatum in het handelsregister hanteerde in plaats van de daadwerkelijke start van de bedrijfsactiviteiten. De minister trok het bestreden besluit in en verklaarde het bezwaar ongegrond in het herzieningsbesluit.
Het College oordeelt dat de minister terecht de in de regeling genoemde referentieperioden hanteert en dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond. Het betaalde griffierecht wordt aan de onderneming vergoed.