De maatschap exploiteert een melkveehouderij en werd bestuurlijk beboet wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen in 2016. De minister legde een boete op na onderzoek van de NVWA, waarbij werd vastgesteld dat zeven vrachten mest niet daadwerkelijk waren afgevoerd, ondanks registratie op vervoersbewijzen. De rechtbank verklaarde het beroep van de maatschap ongegrond, waarbij zij het bewijs van de minister, met name Data2Track-gegevens, als doorslaggevend beschouwde.
In hoger beroep betwistte de maatschap dit oordeel en verzocht om verdere matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College oordeelde dat de maatschap onvoldoende objectief bewijs had geleverd om de bevindingen van de NVWA te weerleggen. De rechtbank had terecht de boete opgelegd en de minister was bevoegd dit te doen.
Het College stelde vast dat de redelijke termijn van vier jaar voor de gehele procedure was overschreden met ruim een jaar. Hoewel de minister de boete al met 10% had gematigd wegens overschrijding van de beslistermijn, achtte het College een aanvullende matiging van 10% passend wegens de verdere termijnoverschrijding in hoger beroep. De boete werd daarom verlaagd tot € 992,25. Tevens werd de Staat veroordeeld in de proceskosten voor het verzoek tot matiging van de boete.