De onderneming exploiteert een vleesvarkensbedrijf en kreeg subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q3 2021. De minister trok deze subsidie in omdat de door de onderneming opgegeven omzetgegevens voor de referentieperiode Q3 2019 niet overeenkwamen met de gegevens van de Belastingdienst, waaruit bleek dat niet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies was voldaan.
De onderneming stelde dat Q3 2018 als alternatieve referentieperiode had moeten gelden vanwege een stalbrand in juli 2018, waarbij een stal verloren ging en de omzet in augustus en september 2018 door een verzekering werd gecompenseerd. Het College oordeelde echter dat Q3 2018 niet als alternatieve referentieperiode kan worden gehanteerd omdat deze periode niet voorafging aan de coronamaatregelen en bijzondere omstandigheden, conform eerdere uitspraken.
Verder stelde de onderneming dat de intrekking van de subsidie onredelijk was en dat sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, wat recht zou geven op schadevergoeding. Het College stelde vast dat de redelijke termijn niet was overschreden omdat de procedure was aangehouden in afwachting van relevante uitspraken over andere subsidieperiodes.
Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.