Een toezichthouder van de NVWA constateerde op camerabeelden dat een geitenbokje in een slachterij werd bedwelmd zonder dat het voorafgaand werd gestoken om te verbloeden, wat een overtreding is van de Wet dieren en bijbehorende regelgeving. De minister legde daarop een boete van € 2.500,- op. De slachterij stelde bezwaar in en voerde onder meer aan dat de hoorplicht was geschonden en dat de boete volgens het interne matigingsbeleid van de NVWA met 10% verminderd zou moeten worden vanwege de termijn tussen overtreding en boeteoplegging.
De rechtbank Rotterdam matigde de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar verwierp de overige beroepsgronden. Het College van Beroep bevestigt dat de minister de hoorplicht heeft geschonden door de hoorzitting te plannen op een datum waarop de slachterij niet kon verschijnen, maar oordeelt dat de slachterij hierdoor niet is benadeeld omdat zij haar standpunten schriftelijk en mondeling heeft kunnen toelichten.
Het College stelt vast dat de overtreding niet wordt bestreden en dat het interne matigingsbeleid van de NVWA een korting van 10% voorschrijft wanneer meer dan zeven maanden zijn verstreken tussen de overtreding en het opleggen van de boete. Omdat de termijn van zeven maanden was verstreken bij het voornemen tot boeteoplegging, had de minister de boete moeten matigen. Het College vernietigt daarom het besluit op bezwaar en het boetebesluit voor zover de boete hoger is dan € 2.250,- en legt de minister op de proceskosten en griffierechten aan de slachterij te vergoeden.