Het bedrijf, een akkerbouw- en veeteeltbedrijf, werd door de minister van Landbouw beboet wegens overschrijding van de meststoffen gebruiksnormen in 2019. De minister baseerde de boete op een eindvoorraad dierlijke mest van 1.700 ton, terwijl het bedrijf stelde dat deze voorraad 3.700 ton bedroeg en dat het formulier foutief was ingevuld.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitging van de oorspronkelijke voorraad van 1.700 ton, omdat het bedrijf onvoldoende betrouwbaar bewijs leverde om dit te weerleggen. De rechtbank matigde de boete met 50% tot €44.442. Het bedrijf ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het College van Beroep bevestigde dat de minister terecht uitging van de originele eindvoorraad, omdat het bedrijf geen verifieerbare gegevens overlegd had die de hogere voorraad aannemelijk maakten. Ook het bezwaar dat het bedrijf niet bekend was met het formulier werd verworpen. Het College matigde de boete verder met 5% vanwege een overschrijding van de redelijke termijn, waardoor het boetebedrag werd vastgesteld op €41.942.
De uitspraak bevestigt dat de bewijslast bij de landbouwer ligt om aannemelijk te maken dat gebruiksnormen niet zijn overschreden, en dat de minister op basis van concrete feiten mag uitgaan van de verstrekte gegevens. De redelijke termijn voor de procedure werd met enkele weken overschreden, wat aanleiding gaf tot een beperkte boetevermindering.
Het College vernietigde het deel van de uitspraak over de boetehoogte en stelde het boetebedrag definitief vast, bevestigde de rest van de uitspraak en droeg de minister op het betaalde griffierecht te vergoeden.