De zaak betreft een betaald voetbalclub die subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) heeft aangevraagd. De minister stelde de subsidie vast zonder de exploitatiebijdrage van een investeerder mee te tellen als omzet, omdat deze bijdrage geen opbrengst uit levering van diensten is in de zin van de TVL.
De onderneming betoogde dat de exploitatiebijdrage wel als omzet moet worden beschouwd, verwijzend naar de definitie van netto-omzet in het Burgerlijk Wetboek en de jaarrekeningenrechtelijke kwalificatie. Het College oordeelde echter dat de TVL een eigen definitie van omzet hanteert en dat de exploitatiebijdrage geen concrete tegenprestatie inhoudt die gelijkstaat aan omzet uit levering van diensten.
Daarnaast verzocht de onderneming om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College concludeerde dat de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar duurden zonder gerechtvaardigde reden, waardoor de Staat werd veroordeeld tot een vergoeding van € 500,- en proceskosten van € 453,50.
Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard en de subsidie werd bevestigd op € 184.199,08.