ECLI:NL:CBB:2025:59

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
31 januari 2025
Zaaknummer
23/910
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.1 TVLArt. 2:377 BWArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 6 EVRMArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omzetbegrip in TVL-subsidie en proceskostenvergoeding wegens redelijke termijnoverschrijding

De zaak betreft een betaald voetbalclub die subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) heeft aangevraagd. De minister stelde de subsidie vast zonder de exploitatiebijdrage van een investeerder mee te tellen als omzet, omdat deze bijdrage geen opbrengst uit levering van diensten is in de zin van de TVL.

De onderneming betoogde dat de exploitatiebijdrage wel als omzet moet worden beschouwd, verwijzend naar de definitie van netto-omzet in het Burgerlijk Wetboek en de jaarrekeningenrechtelijke kwalificatie. Het College oordeelde echter dat de TVL een eigen definitie van omzet hanteert en dat de exploitatiebijdrage geen concrete tegenprestatie inhoudt die gelijkstaat aan omzet uit levering van diensten.

Daarnaast verzocht de onderneming om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College concludeerde dat de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar duurden zonder gerechtvaardigde reden, waardoor de Staat werd veroordeeld tot een vergoeding van € 500,- en proceskosten van € 453,50.

Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard en de subsidie werd bevestigd op € 184.199,08.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de subsidie vastgesteld op € 184.199,08; de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500,- en proceskosten van € 453,50.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/910

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 februari 2025 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)

(gemachtigde: mr. P.A.J. Huijbregts)
en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigden: mr. T. Khidous en mr. P. van Veen)
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat

Procesverloop

Met het besluit van 4 juli 2022 heeft de minister de aan de onderneming verleende subsidie voor het tweede kwartaal (Q2) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 184.199,08.
Met het besluit van 10 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 11 november 2024. Daaraan hebben deelgenomen: namens de onderneming [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde van de onderneming mr. E.E.M. Bakker, en de gemachtigden van de minister.
Naar aanleiding van een verzoek van de onderneming om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft het College het onderzoek heropend. Er heeft geen nadere zitting plaatsgevonden. Het College heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De onderneming is een betaald voetbalclub die uitkomt in de Keuken Kampioen Divisie. In 2018 voerde zij gesprekken met [naam 4] , een […] zakenman die een meerderheidsbelang wilde verkrijgen in de club. In afwachting van goedkeuring van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) leverde [naam 4] een exploitatiebijdrage aan de club. Dat geld mocht de club besteden aan kosten en uitgaven die tot doel hadden de organisatie van de club te professionaliseren en nieuwe spelers aan te trekken. Uiteindelijk heeft de KNVB geen toestemming gegeven voor de aandelentransactie.
2 De onderneming heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de TVL. Op basis van de daarbij opgegeven omzetbedragen is € 185.098,04 subsidie verleend. Bij haar vaststellingsaanvraag heeft de onderneming haar omzet in Q2 van 2019 (referentieomzet) onderbouwd aan de hand van haar financiële administratie en heeft zij de exploitatiebijdrage van [naam 4] meegeteld. Op basis van de voorlopige berekening in de vaststellingsaanvraag, zou de onderneming in aanmerking komen voor een subsidie van € 550.000,-. Bij de vaststelling van de subsidie heeft de minister de exploitatiebijdrage niet meegeteld omdat deze bijdrage volgens hem geen omzet is in de zin van de TVL. Daarom is de subsidie vastgesteld op € 184.199,08 in plaats van op het in de vaststellingsaanvraag genoemde bedrag.
3 In deze zaak beoordeelt het College of de exploitatiebijdrage moet worden aangemerkt als omzet van de onderneming.
Beoordeling door het College
4.1
De onderneming vindt dat de exploitatiebijdrage tot haar omzet behoort. Zij voert aan dat de definitie van het begrip ‘omzet’ uit artikel 2.3.1, eerste lid, van de TVL aansluit bij de definitie van ‘netto-omzet’ uit artikel 2:377, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de uitleg die daaraan wordt gegeven in het jaarrekeningenrecht. Dat is ook zo bedoeld door de regelgever. Alle inkomsten die voldoen aan de definitie van ‘netto-omzet’ zijn daarmee ook omzet in de zin van de TVL. Volgens de onderneming valt de exploitatiebijdrage gezien de jaarrekening onder de definitie van ‘netto-omzet’ en is deze alleen al daarom omzet voor de TVL.
4.2
In het geval dat de TVL toch een eigen definitie van ‘omzet’ kent, zoals het College eerder heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 26 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:270), dan voert de onderneming aan dat er een prestatie stond tegenover de levering van de exploitatiebijdrage. Die tegenprestatie bestond eruit dat de onderneming de bijdrage heeft aangewend om de club te professionaliseren. Ook kreeg [naam 4] , in ruil voor zijn bijdrage, toegang tot meerdere faciliteiten van de club waaronder een speciale lounge en de businessclubs. De exploitatiebijdrage is dus een opbrengst uit levering van diensten, en daarmee omzet in de zin van artikel 2.3.1, eerste lid, van de TVL.
4.3
Het College stelt vast dat het begrip ‘omzet’ uit artikel 2.3.1, eerste lid, van de TVL nagenoeg gelijkluidend is aan het begrip ‘netto-omzet’ zoals gedefinieerd in artikel 2:377, zesde lid, van het BW. Dat betekent echter nog niet dat alle inkomsten die op basis van het jaarrekeningenrecht meetellen als netto-omzet, ook omzet zijn in de zin van de TVL. De TVL kent een eigen definitie van omzet, zoals het College heeft geoordeeld in zijn in 4.2 genoemde uitspraak van 26 april 2022 en daarop volgende rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:206). Dat betekent dat moet worden beoordeeld of de exploitatiebijdrage kan worden beschouwd als een opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming in de zin van artikel 2.3.1, eerste lid, van de TVL. Voor die beoordeling is niet doorslaggevend welke kwalificatie de accountant van de onderneming aan de exploitatiebijdrage heeft gegeven, omdat de accountant het jaarrekeningenrecht toepast en niet de TVL.
4.4
Uit eerdere rechtspraak van het College volgt dat inkomsten niet kunnen worden beschouwd als opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming in de zin van de TVL, als de geldverstrekker geen concrete tegenprestatie kan eisen van de onderneming (zie de uitspraak van 13 december 2022, ECLI:NL:CBB:2022:798). Het College heeft eveneens geoordeeld dat het enkele feit dat inkomsten geoormerkt zijn of verstrekt zijn met een bepaald doel, nog niet voldoende is om die inkomsten gelijk te stellen met opbrengsten uit levering van diensten (zie de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CBB:2023:294 en de uitspraak van 7 mei 2024, ECLI:NL:CBB:2024:331).
4.5
De onderneming heeft toegelicht dat de exploitatiebijdrage was geoormerkt, in die zin dat die moest worden besteed aan vooraf vastgestelde doelen die allemaal verband hielden met de professionalisering van de club. Dat is ook zo vastgelegd in de ‘subordinated loan agreement’ (SLA) die gesloten is tussen de onderneming en [naam 4] . Uit de SLA blijkt naar het oordeel van het College echter niet dat er een concrete tegenprestatie was afgesproken waar [naam 4] aanspraak op kon maken. Dat [naam 4] , als investeerder, toegang kreeg tot enkele faciliteiten van de club, maakte geen onderdeel uit van de SLA en was niet afdwingbaar. De exploitatiebijdrage kan dan ook niet worden beschouwd als opbrengst uit levering van goederen of diensten, zodat geen sprake is van omzet in de zin van artikel 2.3.1, eerste lid, van de TVL.
4.6
Het College oordeelt dat de minister de subsidie van de onderneming op goede gronden heeft vastgesteld op € 184.199,08.
5 Het beroep is ongegrond.
Redelijke termijn en proceskosten
6.1
De onderneming heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.2
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, tenzij er sprake is van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
6.3
De termijn is begonnen op de datum waarop het de minister het bezwaarschrift heeft ontvangen, te weten op 12 augustus 2022. Dit betekent dat ten tijde van deze uitspraak de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond naar boven) vijf maanden is overschreden. Van factoren die aanleiding geven de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten, is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat de onderneming recht heeft op een schadevergoeding van
€ 500,-.
6.4
De minister heeft op 10 februari 2023 een beslissing op het bezwaar genomen. De bezwaarfase heeft dus minder dan zes maanden in beslag genomen. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechter is toe te rekenen. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,-.
6.5
Het College ziet aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten van de onderneming in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Er zijn verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot betaling aan de onderneming van een vergoeding voor immateriële schade van € 500,-;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van de onderneming voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. C.T. Aalbers en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025.
w.g. B. Bastein w.g. T.D. Geldof