ECLI:NL:CBB:2025:603
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Boetes op grond van de Meststoffenwet en de rol van de onderneming als vervoerder van dierlijke meststoffen
In deze zaak heeft de onderneming hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, waarin de onderneming als vervoerder van dierlijke meststoffen is aangemerkt en een boete is opgelegd op basis van de Meststoffenwet. De rechtbank oordeelde dat de minister de onderneming terecht als vervoerder had aangemerkt, ondanks dat op het vervoersbewijs een andere vervoerder stond vermeld. De onderneming had in 2019 haar registratie als intermediaire onderneming verloren en mocht daarom geen meststoffen vervoeren. Tijdens een controle op 1 april 2021 door de NVWA werd vastgesteld dat de onderneming betrokken was bij het vervoer van meststoffen naar België. De minister legde daarop meerdere boetes op, die in een later besluit werden gematigd. De rechtbank oordeelde dat de minister de boete terecht had opgelegd, maar dat het boetebedrag gematigd moest worden vanwege overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep bevestigde het College van Beroep voor het bedrijfsleven de uitspraak van de rechtbank, waarbij het de rol van de onderneming als vervoerder en de geldigheid van de opgelegde boetes bevestigde. De rechtbank en het College oordeelden dat de toezichthouder zijn bevoegdheden niet had overschreden en dat de verklaringen van de betrokkenen in het rapport betrouwbaar waren. De zaak benadrukt de verantwoordelijkheden van ondernemingen onder de Meststoffenwet en de noodzaak om aan de regelgeving te voldoen.