De melkveehouderij had in 2019 een derogatievergunning die het mogelijk maakte meer stikstof uit dierlijke mest te gebruiken dan de reguliere norm. De minister trok deze vergunning in en legde een boete van €75.937,50 op wegens overschrijding van gebruiksnormen. De melkveehouderij stelde beroep in tegen zowel de intrekking als de boete.
De rechtbank vernietigde het besluit over de boete en stelde deze vast op €8.887,73, waarbij de minister een hoger bedrag van €9.875,25 voorstelde. In hoger beroep erkende de minister een afrondingsfout en stemde in met een verlaging van de boete. De kern van het geschil betrof de juiste berekening van mestproductie en stikstofvervluchtiging, waarbij de melkveehouderij stelde dat het gebruikte koeienras Blaarkop anders moest worden meegenomen dan de minister deed.
Het College oordeelde dat de melkveehouderij onvoldoende onderbouwing leverde voor een afwijkende berekeningswijze en dat de minister terecht de categorie 'overige rassen' hanteerde. Ook werd het beroep op een hogere stikstofvervluchtiging verworpen omdat de alternatieve berekening niet relevant was voor graasdieren. De boete werd gecorrigeerd voor afrondingsverschil en gematigd wegens termijnoverschrijding tot €8.879,22. Het beroep tegen de intrekking werd ongegrond verklaard. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.