ECLI:NL:CBB:2026:12
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep mestboete en bezinklaag in de Meststoffenwet
Op 20 januari 2026 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een hoger beroep van een biologische varkenshouderij tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De zaak betreft een geschil over de opgelegde mestboetes wegens overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm in 2019. De minister had twee boetes opgelegd: één van € 5.258,- voor de overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 478 kilogram en een tweede van € 300,- voor het niet naar waarheid verstrekken van gegevens. De rechtbank Gelderland had het beroep van de varkenshouderij gegrond verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn, maar de overige gronden van het beroep verworpen. De rechtbank had de boetes met 10% gematigd, wat resulteerde in een totaalbedrag van € 5.002,20.
In hoger beroep richtte de varkenshouderij zich alleen nog tegen het oordeel van de rechtbank over de bezinklaag in de mestopslag. De varkenshouderij betoogde dat de inhoud van de bezinklaag onjuist was vastgesteld en vroeg om verdere matiging van de boete. Het College oordeelde dat de minister terecht geen rekening had gehouden met de bezinklaag, omdat deze niet was opgegeven door de varkenshouderij. Het College bevestigde dat de materiële bewijslast bij de varkenshouderij ligt en dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat de gebruiksnormen niet waren overschreden.
De varkenshouderij verzocht ook om verdere matiging van de boetes vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het College oordeelde dat de redelijke termijn van vier jaar niet was overschreden en dat er geen aanleiding was voor verdere matiging. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.