AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoek om herziening van accountantsrechtelijke uitspraak niet-ontvankelijk verklaard
De erven van de oorspronkelijke klager hebben een verzoek tot herziening ingediend van een uitspraak van het College van 12 september 2023, waarin hoger beroep tegen een accountantskameruitspraak was afgewezen. Het verzoek betrof vermeende onrechtmatigheden rondom het verstrekken van stukken door de accountant en de belastingclaim die daaruit voortvloeide.
Het College overweegt dat de Wet tuchtrechtspraak accountants geen voorziening kent voor herroeping of herziening van een onherroepelijke uitspraak op hoger beroep. Volgens vaste rechtspraak kan slechts degene over wie is geklaagd om herziening verzoeken, omdat tuchtmaatregelen invloed kunnen hebben op het recht om het beroep uit te oefenen.
Verder oordeelt het College dat het recht op een eerlijk proces zoals beschermd in artikel 6 EVRMPro alleen geldt voor procedures die burgerlijke rechten en verplichtingen vaststellen of een vervolging betreffen. De klager in deze tuchtprocedure heeft geen dergelijk belang, omdat de procedure niet tegen hem is gericht en zijn beroepsuitoefening niet wordt bedreigd.
Daarom is het verzoek van de erven niet-ontvankelijk en wordt niet ingegaan op de inhoudelijke gronden. Ook de omstandigheden rondom de eerdere zitting, waaronder het niet kunnen bijwonen door overmacht, leiden niet tot een andere uitkomst.
Het College verklaart het verzoek tot herziening van de uitspraak van 12 september 2023 niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de eerdere beslissing.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de accountantsrechtelijke uitspraak is niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/585
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 op het verzoek van:
de erven [naam 1] , te [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. [naam 2] ),
om herziening van de uitspraak van het College van 12 september 2023 in de zaak met de nummers 20/469 en 20/470.
Procesverloop
Bij uitspraak van 3 april 2020 (ECLI:NL:TACAKN:2020:33) heeft de accountantskamer, na een terugverwijzing door het College, beslist op onderdeel a van de klacht die (wijlen) drs. [naam 1] in 2017 had ingediend tegen [naam 3]. De accountantskamer heeft klachtonderdeel a gegrond verklaard en aan [naam 4] de maatregel van waarschuwing opgelegd. Bij uitspraak van 12 september 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:495) heeft het College de door beide partijen ingestelde hoger beroepen ongegrond verklaard.
De erven [naam 1] hebben op 21 juni 2024 een verzoek tot heropening van het onderzoek dan wel een verzoek om vernietiging van de uitspraak van 12 september 2023 ingediend. Het College heeft dit opgevat als een verzoek om herziening van de uitspraak.
Met een brief van 24 juni 2024 heeft het College aan de erven [naam 1] meegedeeld dat, volgens vaste rechtspraak van het College, slechts door degene over wie was geklaagd om herziening kan worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak waarbij een maatregel is opgelegd. Daarbij is aan de erven [naam 1] gevraagd of zij het verzoek van 21 juni 2024 willen handhaven. De erven [naam 1] hebben daarop geantwoord dat zij het verzoek inderdaad willen handhaven.
[naam 4] heeft een schriftelijke reactie gegeven en daarbij primair betoogd dat het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft hij betoogd dat het herzieningsverzoek op de aangevoerde gronden niet tot herziening van de uitspraak kan leiden.
De erven [naam 1] hebben op 5 september 2024 en op 24 september 2024 nadere stukken ingediend.
In de uitnodiging voor de zitting is aangegeven dat tot tien dagen vóór de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. Aangezien de zitting was bepaald op dinsdag 27 januari 2026, betekende dit dat nadere stukken konden worden ingediend tot en met vrijdag 16 januari 2026. Het College heeft op 19 januari 2026 en op 26 januari 2026 nadere stukken ontvangen van mr. [naam 2] . Het College heeft die stukken geweigerd en niet in het dossier opgenomen, omdat die stukken te laat waren ingediend en het College geen aanleiding zag om die stukken toch in het dossier op te nemen. In die stukken werden namelijk geen argumenten genoemd die betrekking hadden op de ontvankelijkheid van het verzoek om herziening.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Mr. [naam 2] heeft aan de zitting deelgenomen. [naam 4] werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. R.L. Kamphuis.
Grondslag van het geschil
1. Volgens de erven [naam 1] moet het College de uitspraak van 12 september 2023 herzien vanwege het belang van de zaak en de omstandigheden van het geval. Zij hebben aangevoerd dat [naam 4] zonder toestemming van wijlen drs. [naam 1] stukken aan de inspecteur van de belastingdienst heeft verstrekt. [naam 4] heeft zijn cliënt nooit geholpen. Het was de bedoeling dat hij de jaarrekeningen zou maken aan de hand van de door drs. [naam 1] en mr. [naam 2] verzamelde gegevens. Buiten hen om heeft [naam 4] of zijn medewerker het pensioen toegevoegd. Daardoor werd drs. [naam 1] met een hoge belastingclaim opgezadeld en werd de bewijslast over de pensioenvoorziening omgekeerd. Het belang van de zaak en de omstandigheden van het geval rechtvaardigen een mondelinge behandeling over de inhoud van de zaak. Bij de zitting van 21 juni 2023 die vooraf ging aan de uitspraak van 12 september 2023, konden de erven [naam 1] door overmacht niet aanwezig zijn. Om die reden is toen verschillende keren om uitstel van de zitting gevraagd. Ook is destijds om heropening van het onderzoek gevraagd, maar dat werd afgewezen. De erven [naam 1] hebben de zaak daardoor niet mondeling kunnen bepleiten. Dat is in strijd met het recht op een eerlijk proces.
2 Het College overweegt dat de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) niet voorziet in de mogelijkheid van herroeping of herziening van een uitspraak van het College op een hoger beroep tegen een uitspraak van de accountantskamer. Volgens de rechtspraak van het College (bijvoorbeeld de uitspraken van 21 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:71; 22 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:202; 30 mei 2023, ECLI:NL:CBB:2023:254 en 8 juli 2025, ECLI:NL:CBB:2025:359) brengen de algemene beginselen van behoorlijk (tucht)procesrecht mee dat in bijzondere gevallen om herziening kan worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak. Deze rechtspraak houdt in dat slechts door degene over wie was geklaagd om herziening kan worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak waarbij een maatregel is opgelegd. De reden daarvoor is dat in een tuchtrechtelijke procedure voor de betrokken accountant het risico speelt dat een maatregel wordt opgelegd die van invloed kan zijn op het burgerlijk recht om het beroep van accountant uit te oefenen.
3 Het College overweegt (zie ook de uitspraak van 30 mei 2023) dat het in artikel 6 vanPro het EVRM beschermde recht op een eerlijk proces een ieder toekomt voor zover het gaat om vaststelling van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of om het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging. Volgens de rechtspraak van het EHRM (zie onder meer de arresten van het EHRM van 28 juni 1978, no. 6232/73, König/Duitsland, van 10 februari 1983, no. 7299/75 en 7496/76, Albert en Le Compte/België en van 9 juli 2013, no. 51160/06, Di Giovanni/Italië, https://hudoc.echr.coe.int) valt niet iedere tuchtprocedure per definitie onder de bescherming van artikel 6 EVRMPro, maar kan een tuchtprocedure leiden tot de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, indien de tuchtrechtelijk aangeklaagde persoon hierin gesanctioneerd kan worden met een verbod of een schorsing van het recht zijn beroep uit te oefenen. In het arrest van het EHRM van 22 juli 2021, no. 43447/19, Reczkowicz/Polen, heeft het EHRM herhaald dat artikel 6 vanPro het EVRM toepasbaar is op tuchtprocedures waarin het recht om een beroep te blijven uitoefenen in het geding is. In die zaak ging het om een advocaat die door een in Polen opgerichte disciplinaire tuchtkamer van het Hooggerechtshof tijdelijk van haar functie was ontheven. Uit deze rechtspraak van het EHRM valt naar het oordeel van het College niet af te leiden dat artikel 6 vanPro het EVRM van toepassing zou zijn op de klagende partij die de tuchtklacht aanhangig maakt. De accountantstuchtrechtelijke procedure ziet immers niet op de vaststelling van de burgerlijke rechten en verplichtingen van de klagende partij en ook van een tegen de klager ingestelde vervolging is geen sprake. Diens recht om een beroep uit te oefenen, staat niet op het spel en ook eventuele op te leggen tuchtmaatregelen richten zich niet tegen hem.
4 Het bijzondere rechtsmiddel van herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak staat op grond van deze rechtspraak niet open voor de klager. De erven [naam 1] hebben geen argumenten aangevoerd die aanleiding geven om die rechtspraak te doorbreken. Als klagers in de accountantstuchtrechtprocedure kunnen de erven [naam 1] dan ook niet in hun herzieningsverzoek worden ontvangen. Dit betekent dat het College niet ingaat op de gronden die zij ter onderbouwing van dat verzoek hebben aangevoerd. Dat geldt ook voor de door de erven [naam 1] gestelde omstandigheden rondom de zitting van 21 juni 2023, waarop overigens al was ingegaan in de uitspraak van het College van 12 september 2023.
5 De slotsom is dat het verzoek om de uitspraak van 12 september 2023 te herzien niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing
Het College verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. M.M. Smorenburg en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.