Uitspraak
Stichting Animal Advocacy and Protection, te Almere (Stichting AAP) (gemachtigde: mr. M. van Duijn).
[naam 4] , [naam 6] , [naam 12] , [naam 13] en
[naam 14] . Voor Stichting AAP zijn verschenen [naam 15] , [naam 16] ,
[naam 17] en [naam 18] . Voor de minister zijn van het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst (Adviescollege) verschenen mr. drs. J. Staman, prof. dr. J.M. Koolhaas,
ing. D.R. Lammertsma, ir. M.S.P. Damen en prof. dr. J.J.M. van Alphen.
17 april 2024 314 afzonderlijke besluiten bevat tot aanwijzing of niet-aanwijzing van diersoorten die gehouden mogen worden. De bestreden besluiten bevatten meerdere afzonderlijke beslissingen op bezwaar ten aanzien van individuele diersoorten die in bezwaar zijn aangevochten. Het College concludeert dat de beroepsgronden die in de paragrafen 2 en 6 van hoofdstuk VII worden besproken niet slagen. Een beroepsgrond die in paragraaf 3 van hoofdstuk VII wordt besproken slaagt deels, de overige in die paragraaf besproken beroepsgronden niet. Enkele van de beroepsgronden die in de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk VII worden besproken slagen naar het oordeel van het College ten aanzien van een aantal diersoorten, te weten de dromedaris, de chinchilla, de Russische dwerghamster en het witstaartstekelvarken. Het College concludeert namelijk dat de besluitvorming ten aanzien van deze diersoorten in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd voor zover de minister daarbij de beslissingen tot het niet aanwijzen van die soorten heeft gehandhaafd. Het College concludeert in hoofdstuk IX dat de beroepen daarom gegrond zijn en dat de bestreden besluiten voor zover deze beslissingen bevatten over deze diersoorten voor vernietiging in aanmerking komen. Het College draagt de minister op in zoverre nieuwe besluiten op de bezwaren van appellanten te nemen.
28 januari 2015, nummer WJZ/15008282, houdende vaststelling van hoofdstuk 2 van de Regeling houders van dieren (Rhd) is een lijst vastgesteld met daarop aangewezen de huis- en hobbydieren die gehouden konden worden (de oude positieflijst) (Staatscourant 2015, nummer 2934). In tabel 1 van bijlage 1 van de Rhd waren diersoorten aangewezen die gehouden konden worden zonder toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften. In tabel 2 van diezelfde bijlage waren diersoorten aangewezen die gehouden konden worden met toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften. In tabel 3 van bijlage 2 waren diersoorten opgenomen die niet waren aangewezen en dus niet gehouden mochten worden.
17 april 2024 en het Besluit van 25 april 2024 in werking getreden.
artikel 1 van Pro het Besluit huis- en hobbydierenlijst aan te kunnen vechten, hoefden appellanten anders dan Stichting AAP heeft betoogd, geen rechtsmiddelen aan te wenden tegen de Regeling van 17 april 2024 waarbij de oude positieflijst is ingetrokken, voor zover dat al mogelijk zou zijn. De minister moest namelijk, gelet op het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren, opnieuw beoordelen of diersoorten voor aanwijzing in aanmerking kwamen en moest daarover beslissingen nemen.
Het wettelijk stelsel als zodanig voldoet dus aan artikel 36 van Pro het VWEU. Of de toepassing in de bestreden besluiten om diersoorten niet aan te wijzen voldoet, wordt per besluit, dus per diersoort, beoordeeld.
factorenbij elkaar hebben opgeteld, zoals appellanten stellen, maar uitsluitend de gescoorde risico
categorieën.
-maatregelen, een chipplicht en certificering niet bij de beoordeling heeft betrokken en waarom hij de aan de WAP verstrekte opdracht in zoverre heeft ingekaderd. In de bestreden besluiten in samenhang bezien met zijn brief van 2 oktober 2025 heeft de minister uiteengezet dat over veel diersoorten te weinig informatie beschikbaar is over maatregelen die risico’s volledig opheffen, omdat er geen wetenschappelijk onderzoek naar is en wordt gedaan. Informatie over die diersoorten is daarom vaak onbetrouwbaar. Daarnaast zouden op te stellen houderijvoorschriften gaan gelden voor eenieder zonder dat vaststaat dat sprake is van de juiste vaardigheden, kennis en intenties bij alle houders. Dit heeft tot gevolg dat niet vaststaat dat eenieder zich aan de houderijvoorschriften zal kunnen of willen houden. Een deel van de dieren zou daardoor lijden doordat ze wordt gehouden. Verder is handhaving van houderijvoorschriften volgens de minister in de praktijk onhaalbaar. Zelfs als er capaciteit is om te handhaven, zijn houderijvoorschriften namelijk veelal ook voor meerdere uitleg vatbaar.
Hopster et al. (2022). Hopster en co-auteur Lammertsma waren ook betrokken als leden van de WAP. Onafhankelijke wetenschappelijke toetsing of consensus ontbreekt hierdoor volgens appellanten.
2 oktober 2025 heeft de minister ook nog verwezen naar de figuur van Larson & Burger (2013) en de publicaties “Toetsingskader domesticatie: dertig zoogdiersoorten beoordeeld” van Hopster et al. (2022) en Lord et al. (2025).
5 Overige specifieke diersoorten
6 Evenredigheidsbeginsel
7.Overige beroepsgronden
€ 1.864,- aan appellanten te vergoeden, waarvan € 371,- in zaak 24/829, € 371,- in zaak 24/833, € 187,- in zaak 24/914, € 187,- in zaak 24/915, € 187,- in zaak 24/916, € 187,- in zaak 24/917, € 187,- in zaak 24/918 en € 187,- in zaak 24/919.
mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.