AVR, een afvalverwerkingsbedrijf, verzocht de ACM om handhavend op te treden tegen gemeenten die aandeelhouder zijn van Twence, wegens vermeende schending van het bevoordelingsverbod in de Mededingingswet door het gunnen van afvalverwerking zonder aanbesteding en het betalen van te hoge tarieven.
De ACM wees het verzoek af op basis van haar prioriteringsbeleid, omdat nader onderzoek niet doelmatig noch doeltreffend zou zijn. De ACM stelde dat bij mogelijke bevoordeling die kwalificeert als staatssteun, de Europese staatssteunregels van toepassing zijn en de ACM niet bevoegd is tot handhaving. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep voerde AVR meerdere gronden aan, waaronder onjuiste toepassing van bestuursrechtelijke regels en interpretatie van het bevoordelingsverbod. Het College oordeelde dat de ACM terecht het verzoek afwees vanwege prioritering en dat de ACM de mogelijke toepassing van staatssteunregels mocht betrekken in haar afweging.
Het College volgde de uitleg dat het bevoordelingsverbod drie cumulatieve criteria kent, waarbij schending van aanbestedingsregels niet automatisch leidt tot bevoordeling. Ook stelde het College dat de bewijslast voor de marktconformiteit bij de ACM ligt in een handhavingsprocedure.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.