ECLI:NL:CBB:2026:300

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
24/119
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3:4 AwbArt. 8.7 Wet dierenArt. 84 Verordening 2016/429Art. 115 Verordening 2016/429
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping bestuurlijke boete wegens onrechtmatige handhaving op wilde zwijnen in omheind perceel

In deze zaak ging het om een bestuurlijke boete van €4.500,- opgelegd aan [naam 1] vanwege overtredingen van registratie-, identificatie- en drinkwatervoorschriften voor wilde zwijnen gehouden in een omheind perceel. De toezichthouders van de NVWA constateerden onder meer het ontbreken van een Uniek Bedrijfsnummer, het niet registreren van aan- en afvoer in het I&R-systeem, het ontbreken van oormerken en onvoldoende schoon drinkwater.

De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de zwijnen als gehouden dieren moesten worden beschouwd en dat de boete terecht was opgelegd, maar verklaarde het beroep gegrond wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het hoger beroep van [naam 1] gegrond verklaard en het boetebesluit vernietigd. Het College oordeelde dat de minister niet bevoegd was om een boete op te leggen voor het drinkwatervoorschrift omdat niet was aangetoond dat de zwijnen voor fokkerij of mesterij werden gehouden.

Daarnaast stelde het College vast dat de minister onrechtmatig en willekeurig had gehandeld door [naam 1] wel te beboeten terwijl vergelijkbare locaties met wilde zwijnen niet werden beboet. De boete is daarom herroepen en de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Het College vernietigt het boetebesluit en herroept de boete wegens onrechtmatige handhaving en willekeur.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/119

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 op het hoger beroep van

[naam 1] , te [woonplaats] ( [naam 1] )

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2023, kenmerk 22/2229, in het geding tussen
[naam 1]
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. E.M. Scheffer)
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:11910).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
[naam 1] heeft nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 2 september 2025. De zaak is gezamenlijk behandeld met de zaken met nummers 22/1701, 22/1826, 22/2499, 23/1975, 23/1995 en 24/39. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , en namens de minister zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] en drs. [naam 3] .
Na de zitting heeft het College het onderzoek heropend en een vraag aan de minister gesteld. De minister heeft op 2 oktober 2025 schriftelijk gereageerd. [naam 1] heeft op 6 oktober 2025 hierop schriftelijk zijn reactie gegeven. Naar aanleiding van deze reacties heeft het College de minister nadere vragen gesteld. De minister heeft op 29 oktober 2025 schriftelijk gereageerd. [naam 1] heeft op 14 november 2025 hierop schriftelijk zijn reactie gegeven. Naar aanleiding van deze reacties heeft het College besloten het onderzoek voort te zetten op een nadere zitting. De minister heeft op 11 februari 2026 een nadere reactie ingezonden. [naam 1] heeft op 15 februari 2026 hierop schriftelijk zijn reactie gegeven.
De nadere zitting was op 24 februari 2026. De zaak is gezamenlijk behandeld met de zaken met nummers 22/1701, 22/1826, 22/2499 en 23/1995. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , en namens de minister zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] .
Het College heeft op 16 december 2025 uitspraak gedaan in de zaken met nummers 23/1975 (ECLI:NL:CBB:2025:662) en 24/39 (ECLI:NL:CBB:2025:661).
Het College doet gelijktijdig met deze uitspraak ook uitspraak in de zaken met nummers 22/1701, 22/1826 en 22/2499.

Grondslag van het geschil

1.1
[naam 1] had wilde zwijnen in een raster van 0,5 hectare op een perceel in [naam 7] . Toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben onderzocht of [naam 1] voldeed aan de regels die daarvoor gelden. Daartoe hebben deze toezichthouders op 30 juni 2021 en 14 juli 2021 het terrein van [naam 1] bezocht en hun bevindingen neergelegd in een rapport van bevindingen van 29 juli 2021, dat zij naar waarheid hebben opgemaakt. De toezichthouders hebben geconcludeerd dat [naam 1] geen Uniek Bedrijfsnummer (UBN) op de dierlocatie had, dat hij de aan- en afvoer van wilde zwijnen niet in het Identificatie en Registratie (I&R-)systeem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) had geregistreerd, dat hij niet beschikte over verplichte documenten over de wilde zwijnen en dat de wilde zwijnen geen identificerende merken in de oren hadden. Daarnaast beschikten de wilde zwijnen niet permanent over schoon en vers drinkwater. In het rapport van bevindingen staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“Op 29 juni 2021 zag ik, […], in het I&R systeem dat er op de betreffende dierlocatie geen UBN geregistreerd stond. Ook zag ik dat er geen aan en afvoermeldingen of doodmeldingen in het I&R systeem op deze dierlocatie geregistreerd stonden. […]
Op woensdag 30 juni 2021 bevonden wij […], toezichthouders werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ons op het adres […] te [naam 7] . […]
Ik, […], betrad het terrein met adres […] te [naam 7] en zag een groot omheind perceel. Ik zag dat in dit perceel een grote groep wilde zwijnen liep zonder merken in de oren. […]
Op maandag 5 juli 2021 omstreeks 10.21 uur heb ik, […], telefonisch contact gehad met dhr. [naam 1] op het telefoonnummer […]. […]
Toen ik dhr. [naam 1] een aantal vragen stelde over zijn wilde zwijnen, waaronder de vraag hoe hij aan de zwijnen is gekomen, hoorde ik hem zeggen. "
Ja dat weet ik niet zo goed meer. Ik heb ze via via gekregen, volgens mij van een jager. Maar meer weet ik niet meer". Ook vroeg ik hem of hij ook zwijnen aan en afvoerde. Hierop hoorde ik hem zeggen dat hij geen zwijnen aanvoert en ook niet verhandeld. Ik hoorde hem zeggen dat hij er wel eens één laat slachten voor zijn eigen barbecue. Toen ik hem vroeg waar hij het zwijn liet slachten, hoorde ik hem zeggen "
het zwijn word door een bevoegd persoon gedood en je mag een zwijn of varken voor eigen gebruik laten slachten volgens de wet, dus dit doe ik dan ook!!". Toen ik hierop reageerde door wie hij het zwijn dan liet slachten, hoorde ik hem zeggen dat hij dit niet wilde vertellen.
[…]
Op woensdag 14 juli 2021 omstreeks 15.45 uur bevonden wij, […], ons op het ons bekende adres […] te [naam 7] . […]
Ik, […], zag tijdens het gesprek met dhr. [naam 1] dat er wilde zwijnen op een omheind perceel liepen zonder merken in de oren. Ik zag dat er geen andere gaten in de oren zaten van eerder in het verleden verkregen merken. […]
[…]
Toen wij, […], aan dhr. [naam 1] vertelde dat wij in het I&R systeem geen UBN geregistreerd zagen staan op de betreffende locatie […] te [naam 7] , dat er geen aan en of afvoer geregistreerd stond op de betreffende locatie en dat er geen merken in de oren van de wilde zwijnen zaten, hoorden wij dhr. [naam 1] zeggen dat hij hier niet aan hoefde te voldoen omdat hij wilde zwijnen in een raster houd net als Staatsbosbeheer. Wij hebben dhr. [naam 1] duidelijk gemaakt dat een gehouden wild zwijn (Sus Scrofa) volgens de wet hetzelfde word gezien als een gehouden varken (Sus Scrofa domestica) en dat de wetgeving voor gehouden varkens ook geldt voor gehouden wilde zwijnen. Wij hoorden dhr. [naam 1] hierop antwoorden dat hij dit raar vond en dat er eerder een collega van de NVWA in 2014 was geweest die hem hetzelfde vertelde, maar dat hij hiervan nooit een schrijven had ontvangen en daarmee er vanuit was gegaan dat hoe hij wilde zwijnen hield akkoord was.
Toen ik, […], aan dhr. [naam 1] vroeg hoe hij aan de wilde zwijnen is gekomen hoorden wij hem zeggen "
Ik weet niet meer hoe ik eraan ben gekomen. Ik heb ze sinds 2012 denk ik en begon bij 3 dieren volgens mij. Maar dat is al zo lang geleden".
[…]
Wij, […], zagen dat in het perceel dat de ongeveer 40 wilde zwijnen met 3 tomen biggen niet de beschikking hadden over permanent schoon en vers drinkwater. De ongeveer 40 volwassen wilde zwijnen met 3 tomen biggen konden enkel drinken uit een waterpoel gelegen aan de achterzijde van het perceel. Wij zagen dat deze waterpoel bestond uit een laag groen stilstaand water bedekt met een laag dikke groene drap.”
1.2
De minister heeft vanwege deze bevindingen van de toezichthouders met zijn besluit van 15 oktober 2021 (boetebesluit) aan [naam 1] een boete van € 6.000,- opgelegd vanwege vier beboetbare feiten (vier keer € 1.500,-) die volgens de minister elk een overtreding opleveren.
1.3
Met het besluit van 5 april 2022 (beslissing op bezwaar), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van [naam 1] gedeeltelijk gegrond verklaard en één van de beboetbare feiten laten vallen. Als gevolg daarvan is de boete verlaagd tot € 4.500,- (drie keer € 1.500,-). De boete is daarmee opgelegd voor de volgende drie beboetbare feiten die volgens de minister elk een overtreding opleveren:
“Beboetbaar feit 1: De exploitant van een inrichting waar landdieren worden gehouden heeft zijn inrichting niet geregistreerd bij de bevoegde autoriteiten alvorens hij het houden van die landdieren heeft aangevat.”
“Beboetbaar feit 2: De exploitant die wilde zwijnen houdt heeft niet de termijn in acht genomen die geldt voor het aanbrengen van identificatiemiddelen bij varkens, bedoeld in artikel 15, van Verordening 2021/520. Die termijn bedraagt een week nadat in een inrichting geboren varkens zijn gespeend, of uiterlijk drie maanden na de geboorte.”
“Beboetbaar feit 3: De aanwezige wilde zwijnen beschikten niet permanent over voldoende schoon en vers drinkwater.”
Met beboetbaar feit 1 heeft [naam 1] volgens de minister een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 1.14, aanhef en onder k, van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, en met artikel 84 van Pro Verordening 2016/429 [1] . Met beboetbaar feit 2 heeft [naam 1] volgens de minister een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 115, aanhef en onder a, van Verordening 2016/429, en met artikel 5b.36, eerste lid, van de Regeling houders van dieren. Met beboetbaar feit 3 heeft [naam 1] volgens de minister een overtreding begaan van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.26, tweede lid, van het Besluit houders van dieren. Het wettelijk kader zoals dat destijds van toepassing was, is, voor zover in hoger beroep nog relevant, opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
1.4
De zwijnen van [naam 1] zijn op 8 oktober 2023 geëuthanaseerd en op 9 oktober 2023 afgevoerd door [naam 10] voor destructie.

Uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] gegrond verklaard in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Voor het overige slaagde het beroep niet. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen, waarbij voor ‘eiser’ en ‘verweerder’ respectievelijk [naam 1] en de minister moet worden gelezen.
“6.2. De voorschriften die eiser volgens verweerder heeft overtreden zijn allemaal van toepassing op gehouden dieren. Artikel 84 van Pro Verordening 2016/429 (feit 1) verplicht een inrichting waar landdieren worden gehouden te registreren, artikel 15 van Pro Verordening 2021/520 (feit 2) verplicht binnen een bepaalde termijn een identificatiemerk aan te brengen bij gehouden varkens en artikel 2.26, tweede lid, van het Besluit houders van dieren (feit 3) schrijft voor dat varkens over voldoende vers water moeten beschikken, welke verplichting op grond van artikel 2.2 van dat besluit (kort gezegd) van toepassing is op dieren die worden gehouden. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet dieren volgt dat het kenmerkende verschil tussen gehouden dieren en in het wild levende dieren de beschikkingsmacht is van de mens over het dier. Bij gehouden dieren is die macht volledig, terwijl deze bij in het wild levende dieren niet of slechts beperkt aanwezig is. Zoals het CBb heeft overwogen verloopt de scheidslijn tussen wilde dieren en door de mens gehouden dieren vloeiend. Waar die grens ligt wordt bepaald door de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij speelt mede een rol de duur van de gevangenhouding van de dieren en het oogmerk waarmee zij gevangen worden gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het bij de wilde zwijnen van eiser om gehouden dieren en niet om wilde dieren. De wilde zwijnen verbleven bij eiser op een relatief klein perceel dat was omheind met een hek en de dieren waren voor hun voedsel aangewezen op het door eiser aangeboden voedsel. Daarmee had eiser de volledige beschikkingsmacht over de dieren. Dat eiser stelt de dieren hobbymatig en niet voor commerciële doeleinden te hebben gehouden is in dit kader niet relevant, nu voor hobbymatige houders van varkens geen uitzondering geldt voor de verplichting tot registratie, oormerken en verschaffen van schoon drinkwater. Die verplichtingen gelden voor alle gehouden varkens (inclusief wilde zwijnen).
6.3.
Het beroep van eiser op de Beleidsregel grof wild uit gesloten (omrasterde) gebieden (hierna: de Beleidsregel) slaagt niet. In de Beleidsregel staat beschreven onder welke voorwaarden de NVWA edelherten, damherten en wilde zwijnen, die in gesloten (omrasterde) gebieden leven met eenzelfde vrijheid als vrij wild en niet voor de vleesproductie worden gehouden, beschouwt als vrij wild in het kader van de vleeskeuring. Allereerst betwijfelt de rechtbank of deze beleidsregel rechtstreeks relevant is in deze zaak, nu de boetes geen verband houden met vleeskeuring maar met voorschriften voor houders van dieren en de rechtbank niet is gebleken dat het enkel van toepassing zijn van de Beleidsregel tot gevolg heeft dat de hier relevante voorschriften (ten aanzien van registratie, oormerken, drinkwater) niet gelden. Maar wat daar ook van zij, voor de rechtbank is duidelijk dat de Beleidsregel niet op eiser van toepassing is. Uit de Beleidsregel volgt namelijk dat eerst een aanvraag moet worden ingediend bij NatuurNetwerk waarna de NVWA beoordeelt of aan de voorwaarden wordt voldaan. Eiser heeft een dergelijke aanvraag echter niet ingediend en zijn situatie is dus niet beoordeeld. Eisers verwijzing in dit kader naar de brief die hij in 2017 naar de staatssecretaris heeft gestuurd treft geen doel; die brief zag op de voorgenomen aanpassing van Bijlage 1 van de Regeling houders van dieren (de positieflijst) op grond waarvan wilde zwijnen mogelijk niet langer mochten worden gehouden. Voor zover in de brief al een aanvraag kan worden gelezen had dat in elk geval geen betrekking op de Beleidsregel en hoefde ook niet als zodanig te worden opgevat. Eiser heeft verder gewezen op drie andere locaties met wilde zwijnen maar een vergelijking daarmee gaat niet op. Immers, niet in geschil is dat de beheerders van die locaties wel een aanvraag hebben ingediend in het kader van de Beleidsregel, waarna die locaties door de NVWA zijn beoordeeld en de daar verblijvende dieren als vrij wild in de zin van de Beleidsregel zijn aangemerkt. Aan de omstandigheid dat een controle bij eiser in 2014 niet heeft geleid tot handhavingsmaatregelen of boetes kon eiser ook geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij voldeed aan alle voorwaarden van de Beleidsregel of anderszins aan alle wettelijke voorschriften. Uit het (naar waarheid opgemaakte) rapport van bevindingen volgt dat eiser tegenover de toezichthouder heeft verklaard dat er bij een controle in 2014 door de NVWA al was verteld dat hij een UBN moest hebben en merken in de oren van de zwijnen moest doen. Ook van een toezegging door een toezichthouder destijds dat alles in orde was en eiser aan de voorschriften voldeed is niet gebleken.
6.4.
De rechtbank concludeert dat eiser zich dus moest houden aan de relevante voorschriften voor gehouden dieren. Niet in geschil is dat eiser zijn inrichting met wilde zwijnen niet had geregistreerd en dat zijn wilde zwijnen ook niet van een oormerk waren voorzien. Verweerder heeft dus terecht vastgesteld dat eiser feit 1 en feit 2 heeft begaan. Ook staat voor de rechtbank voldoende vast dat eiser feit 3, zijnde een overtreding van artikel 2.26, tweede lid, van het Besluit houders van dieren, heeft begaan. Op grond van dit artikel moest eiser ervoor zorgen dat zijn wilde zwijnen (ouder dan twee weken) permanent over voldoende vers water beschikken. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouders op het perceel van eiser zagen dat ongeveer 40 volwassen wilde zwijnen met 3 tomen biggen enkel konden drinken uit een waterpoel die bestond uit een laag groen stilstaand water bedekt met een laag dikke groene drab. Dit kan niet worden aangemerkt als voldoende vers water. Dat de dieren volgens eiser gezond waren is ook onvoldoende om aan te nemen dat de dieren wel permanent over vers water beschikten. Verder heeft eiser foto’s overgelegd van een monster van water uit de poel, maar - wat daar verder ook van zij - dat monster is naar gesteld in de zomer van 2022 genomen, dus ruim na de controle. Reeds daarom kan dit niet afdoen aan de (duidelijke) beschrijvingen van de toezichthouders in het rapport van bevindingen.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3 Het College is van oordeel dat het hoger beroep van [naam 1] slaagt. Het College licht hierna toe hoe hij tot dit oordeel is gekomen en wat de gevolgen van dit oordeel zijn.
Zijn de wettelijke voorschriften van toepassing?
4 [naam 1] heeft primair aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de wettelijke voorschriften die hij volgens de minister heeft overtreden op hem van toepassing zijn. Er is volgens [naam 1] namelijk geen sprake van ‘gehouden dieren’ als bedoeld in Verordening 2016/429, en geen sprake van varkens die kennelijk worden gehouden voor de fokkerij of voor de mesterij. Hij kan daarom de overtredingen niet hebben begaan. [naam 1] stelt dat zijn zwijnen wilde dieren zijn, omdat hij aan de voorwaarden van de Beleidsregel grof wild uit gesloten (omrasterde) gebieden met kenmerk VW-BR-01 (beleidsregel) van de NVWA voldoet, en dat er dan andere regels gelden dan voor gehouden varkens of landbouwhuisdieren. De rechtbank heeft ten onrechte van belang geacht dat hij geen aanvraag bij NatuurNetwerk heeft gedaan. Een aanvraag bij NatuurNetwerk is niet verplicht. De rechtbank heeft verder ten onrechte van belang geacht dat zijn wilde zwijnen op een relatief klein grondstuk lopen. Dat is namelijk geen voorwaarde op basis van de beleidsregel.
5 Het College stelt vast dat niet in geschil is dat [naam 1] niet beschikte over een UBN en de wilde zwijnen geen oormerken hadden. [naam 1] betwist wel dat het water in de poel niet geschikt was.
6.1
Het College stelt verder vast dat [naam 1] de onder 4 weergegeven grond ook heeft aangevoerd in zijn beroep tegen de last onder dwangsom die de minister hem voor dezelfde overtredingen als hier aan de orde heeft opgelegd naar aanleiding van dezelfde inspectie en waaraan dus hetzelfde rapport van bevindingen ten grondslag ligt (zaaknummer 22/1826). Het College heeft deze grond in zijn uitspraak over die last onder dwangsom en bijbehorend invorderingsbesluit al beoordeeld. Het College verwijst daarom voor zijn oordeel over deze grond naar de uitspraak van het College van 30 juni 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:291).
6.2
Het College heeft in de hierboven genoemde uitspraak onder 4.1 tot en met 4.6 geoordeeld dat de artikelen 84 en 115 van Verordening 2016/429 destijds van toepassing waren op [naam 1] en zijn wilde zwijnen en dat [naam 1] zich dus moest houden aan de verplichtingen die uit deze voorschriften voor hem volgden, omdat de wilde zwijnen van [naam 1] gehouden dieren waren als bedoeld in deze verordening. Dit betekent dat de NVWA bevoegd was om te controleren op de naleving van die artikelen door [naam 1] , en dat de minister de overtredingen van die artikelen kon vaststellen. [naam 1] heeft die overtredingen op zichzelf niet betwist. Of de minister vervolgens ook bevoegd was om [naam 1] voor die overtredingen te beboeten, zal het College hierna beoordelen bij zijn bespreking van de subsidiaire grond van [naam 1] .
6.3
Het College heeft verder in de hierboven genoemde uitspraak onder 5.1 tot en met 5.3 geoordeeld dat het voorschrift van artikel 2.26, tweede lid, van het Besluit houders van dieren niet gold voor [naam 1] , omdat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de wilde zwijnen van [naam 1] kennelijk werden gehouden voor de fokkerij of voor de mesterij. Dit betekent dat de NVWA niet bevoegd was om te controleren op de naleving van artikel 2.26, tweede lid, van het Besluit houders van dieren en dat de minister geen overtreding van dit artikel kon vaststellen. De minister was dan ook niet bevoegd om [naam 1] daarvoor een boete op te leggen. Het College zal daarom de uitspraak van de rechtbank in zoverre vernietigen. De grond van [naam 1] dat het water in de poel wel geschikt was voor zijn wilde zwijnen, behoeft gelet hierop geen bespreking meer.
Mocht de minister tot handhaving overgaan?
7.1
[naam 1] heeft subsidiair aangevoerd dat op de locaties Stadspark [naam 8] , Natuurpark [naam 9] en het [naam 11] sprake was van een met zijn locatie vergelijkbare situatie, dat de wilde zwijnen daar ook niet waren geregistreerd en geoormerkt en dat de NVWA ten aanzien van die locaties, anders dan bij hem, geen maatregelen heeft genomen. Volgens [naam 1] hanteert de NVWA deze verplichtingen kennelijk niet voor die vergelijkbare locaties, maar alleen voor hem. Er is volgens hem sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.
7.2
Omdat [naam 1] deze grond, evenals zijn primaire grond, ook heeft aangevoerd in zijn beroep tegen de last onder dwangsom voor dezelfde overtredingen, verwijst het College voor zijn oordeel over deze grond eveneens naar de uitspraak van het College van 30 juni 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:291, onder 6.1 tot en met 6.8). Het College heeft in deze uitspraak als volgt geoordeeld. Er moet van worden uitgegaan dat zowel op de locatie van [naam 1] , als op de locaties Stadspark [naam 8] en Natuurpark [naam 9] sprake was van gehouden dieren. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie ten aanzien van de gehouden dieren op de locatie van [naam 1] niet gelijk was aan de situatie ten aanzien van de gehouden dieren op de andere locaties. De minister heeft naar het oordeel van het College niet inzichtelijk kunnen maken waarom hij bij [naam 1] wel, en bij de andere locaties geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot handhaving. Dit brengt mee dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die duidt op willekeur in de handhavingspraktijk van de minister.
7.3
Gelet op het voorgaande komt het College tot de conclusie dat de keuze van de minister om aan [naam 1] wel en aan Natuurpark [naam 9] en Stadspark [naam 8] geen boete op te leggen in strijd is met het verbod van willekeur, neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de minister geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om een boete aan [naam 1] op te leggen. Het boetebesluit kan dus geen stand houden. Het College zal daarom ook in zoverre de uitspraak van de rechtbank vernietigen.
8 Omdat het boetebesluit geen stand houdt, behoeven de overige hogerberoepsgronden van [naam 1] geen beoordeling meer.
Conclusie en gevolgen
9 Het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat het College de uitspraak van de rechtbank zal vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond zal verklaren, de beslissing op bezwaar zal vernietigen en het boetebesluit zal herroepen. Het College zal bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar.
10 Er zijn geen proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Overschrijding van de redelijke termijn
11.1
Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:7), beoordeelt hij in boetezaken ambtshalve of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden. Het College heeft ambtshalve vastgesteld dat dit het geval is.
11.2
In boetezaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld is dat 20 augustus 2021, de datum waarop de minister aan [naam 1] heeft meegedeeld voornemens te zijn een bestuurlijke boete op te leggen. In dit geval is de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak met, naar boven afgerond, een jaar overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel toe te rekenen aan de rechterlijke fase. Omdat het College het boetebesluit zal herroepen, leidt deze overschrijding in dit geval niet tot matiging van de boete. Omdat [naam 1] niet zelf subsidiair om een vergoeding van immateriële schade vanwege die overschrijding had verzocht, heeft het College dit ambtshalve op de zitting aan de orde gesteld en [naam 1] gevraagd of hij vanwege die overschrijding wil verzoeken om vergoeding van immateriële schade voor het geval de boete zou worden herroepen. [naam 1] heeft daarop bevestigend gereageerd. Dit leidt tot een vergoeding van immateriële schade van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Het College zal daarom de Staat veroordelen tot vergoeding van immateriële schade aan [naam 1] van € 1.000,- (tweemaal € 500,-).

Beslissing

Het College:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [naam 1] tegen de beslissing op bezwaar gegrond en vernietigt deze beslissing;
- herroept het boetebesluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar;
- draagt de minister op het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 463,- aan [naam 1] te vergoeden;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan [naam 1] van € 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. M.M. Smorenburg en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. N.A. van Opbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
w.g. H.L. van der Beek w.g. N.A. van Opbergen

Bijlage: wettelijk kader

Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid
Artikel 84 Verplichting Pro voor de exploitanten om inrichtingen te registreren
1. Exploitanten van inrichtingen waar landdieren worden gehouden of waar levende producten worden gewonnen, geproduceerd, behandeld of opgeslagen, moeten met het oog op de registratie van hun inrichtingen overeenkomstig artikel 93, alvorens zij die activiteiten aanvatten:
a. a) de bevoegde autoriteit in kennis stellen van alle soortgelijke inrichtingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn;
b) de bevoegde autoriteit gegevens verstrekken over:
i. i) de naam en het adres van de betrokken exploitant;
ii) de locatie van de inrichting en een beschrijving van de voorzieningen ervan;
in) de categorieën, soorten en aantallen of hoeveelheden van de gehouden landdieren of levende producten die zij voornemens zijn te houden in de inrichting en de capaciteit van de inrichting;
iv) het soort inrichting; en
v) andere aspecten van de inrichting die relevant zijn voor het bepalen van het risico dat ermee verbonden is.
2. De in lid 1 bedoelde exploitanten van inrichtingen stellen de bevoegde autoriteit in kennis van:
a. a) wijzigingen in de desbetreffende inrichting wat de in lid 1, onder b), bedoelde aspecten betreft;
b) de stopzetting van de activiteiten door de betrokken exploitant of van de betrokken inrichting.
[…]
Artikel 115 Verplichting Pro voor de exploitanten met betrekking tot identificatie en registratie van gehouden dieren die tot een varkenssoort behoren
De exploitanten die tot een varkenssoort behorende gehouden dieren houden:
a. a) zorgen ervoor dat die gehouden dieren elk geïdentificeerd zijn door een fysiek identificatiemiddel;
[…]
c) geven de gegevens over de inrichting waar die dieren worden gehouden door aan het geautomatiseerde gegevensbestand, bedoeld in artikel 109, lid 1.
Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520 van de Commissie van 24 maart 2021 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren
Artikel 15 Termijnen Pro voor het aanbrengen van identificatiemiddelen bij gehouden varkens
1. De exploitanten zorgen ervoor dat de in artikel 115, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde identificatiemiddelen vóór het verstrijken van de maximumtermijn na de geboorte van het dier als vastgesteld door de lidstaat waar de dieren zijn geboren, bij de gehouden varkens worden aangebracht. Deze maximumtermijn wordt berekend vanaf de datum van de geboorte van de dieren en bedraagt niet meer dan negen maanden.
2. De exploitanten zorgen ervoor dat gehouden varkens de inrichting waar zij zijn geboren of de toeleveringsketen niet verlaten tenzij bij die dieren een in artikel 115, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 bedoeld identificatiemiddel is aangebracht.
Regeling houders van dieren
Artikel 5b.36. Termijn voor het aanbrengen van identificatiemiddelen voor varkens
1. De termijn, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520 bedraagt een week nadat in een inrichting geboren varkens zijn gespeend, of uiterlijk drie maanden na de geboorte.
[…]
Besluit houders van dieren
Artikel 2.26. Voederen
[…]
2. Varkens ouder dan twee weken beschikken permanent over voldoende vers water.
[…]
Wet dieren
Artikel 8.7. Bevoegdheid
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten.