ECLI:NL:CBB:2026:39

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
23/2041
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen te late correctie S&O-verklaringen

De onderneming maakte bezwaar tegen drie besluiten van de minister van 12 maart 2020, waarin verstrekte S&O-verklaringen werden gecorrigeerd en op nul gesteld, met daarbij opgelegde boetes. Dit bezwaar werd pas op 5 november 2021 ingediend, ruim na de wettelijke termijn. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening, wat door de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.

In hoger beroep betoogde de onderneming dat zij de besluiten niet had ontvangen en dat de minister onvoldoende had bewezen dat de besluiten daadwerkelijk waren verzonden en aangekomen. De onderneming stelde dat de besluiten aangetekend hadden moeten worden verzonden en verwees naar kwaliteitscijfers van PostNL om de ontvangst te betwijfelen.

Het College oordeelde dat de minister aannemelijk had gemaakt dat de besluiten correct en tijdig naar het juiste adres waren verzonden, met een deugdelijke verzendadministratie en zonder aanwijzingen van problemen bij de postbezorging. De onderneming bracht geen feiten aan die de ontvangst redelijkerwijs konden betwijfelen. Het College bevestigde daarom dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens overschrijding van de termijn.

De S&O-verklaringen blijven definitief op nul gesteld en de boetes zijn onverminderd van kracht. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand.

Uitkomst: Het bezwaar van de onderneming tegen de correctiebesluiten is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/2041

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 op het hoger beroep van

[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2023, 22/1564, in het geding tussen
de onderneming
en
de minister van Klimaat en Groene Groei
(gemachtigden: mr. M.J. Schulte en mr. C. Cromheecke)

Procesverloop in hoger beroep

De onderneming heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:10734).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
De zitting was op 13 november 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en de gemachtigden van de minister.

Inleiding

1 In deze uitspraak gaat het om de vraag of namens de onderneming op tijd bezwaar is gemaakt tegen besluiten van de minister. Het gaat om drie besluiten van 12 maart 2020. De minister had voor drie perioden verklaringen aan de onderneming afgegeven voor afdrachtvermindering van loonheffing en inkomstenbelasting voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O-verklaringen). Die verklaringen heeft de minister met de drie besluiten van 12 maart 2020 gecorrigeerd en op nul gesteld. Ook heeft de minister de onderneming beboet. Pas op 5 november 2021 heeft de onderneming bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Dat is te laat. De minister heeft het bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaard en het dus niet inhoudelijk behandeld. De rechtbank Rotterdam heeft het beroep van de onderneming tegen die beslissing van de minister ongegrond verklaard. De onderneming is in hoger beroep gegaan. In deze uitspraak wordt beoordeeld of het bezwaar toch inhoudelijk moet worden behandeld. Het College is van oordeel dat de minister het bezwaar terecht niet inhoudelijk heeft behandeld. De onderneming krijgt dus ongelijk. Het College legt hierna uit waarom. Dat betekent dat de S&O-verklaringen definitief op nul zijn gesteld. De boetes zijn daardoor ook definitief.

Grondslag van het geschil

2.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank. Het College volstaat met het volgende.
2.2
Met de besluiten van 13 mei 2016, 19 juli 2016 en 30 januari 2017 heeft de minister op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva) aan de onderneming S&O-verklaringen verstrekt voor het project ‘Ultra Hoge druk kalibratie, Statisch vloeistof’ voor de periode januari 2016 tot en met juni 2017. Verder heeft de minister met de besluiten van 9 juli 2018 en 18 september 2018 S&O-verklaringen verstrekt voor de projecten ‘World Water Winner’ en ‘Ontwikkelen oplossing voor dynamische druktesten’ voor de periode van februari tot en met december 2018.
2.3
Op 31 maart 2017, 22 maart 2018 en 20 maart 2019 heeft de onderneming aan de minister mededeling gedaan van de aan speur- en ontwikkelingswerk bestede uren en het bedrag aan gerealiseerde kosten en uitgaven. Met de besluiten van 26 maart 2018 en 25 maart 2019 heeft de minister de verstrekte S&O-verklaringen over de jaren 2017 en 2018 gecorrigeerd.
2.4
Op 5 augustus 2019 hebben medewerkers van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een controlebezoek afgelegd bij de onderneming. De bevindingen van dit controlebezoek zijn neergelegd in een ‘controlerapport WBSO’ van 26 augustus 2019. In dit rapport is uiteengezet dat de onderneming voor het jaar 2018 niet beschikt over een administratie omtrent de aard, inhoud en de voortgang van het speur- en ontwikkelingswerk. De onderneming heeft tijdens het controlebezoek verklaard voor 2018 geen kosten te hebben gemaakt door privéomstandigheden. Volgens de onderneming zijn er ook in het verleden geen kosten gemaakt.
2.5
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de minister met drie afzonderlijke besluiten van 12 maart 2020 de verstrekte S&O-verklaringen over de jaren 2016, 2017 en 2018 (opnieuw) gecorrigeerd en daarbij de aan speur- en ontwikkelingswerk bestede uren op nul gesteld. Verder heeft de minister in verband met deze correcties boetes opgelegd van in totaal € 2.200,-.
2.6
Met het besluit van 2 maart 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de onderneming gemaakte bezwaar van 4 november 2021 (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. De minister heeft toegelicht dat de onderneming het bezwaarschrift niet binnen de bezwaartermijn – en daarmee te laat – heeft ingediend. De te late indiening is een verzuim dat voor rekening van de onderneming komt. Het is haar verantwoordelijkheid om tijdig een bezwaarschrift in te dienen.

Uitspraak van de rechtbank

3 De rechtbank heeft het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij, voor zover voor het hoger beroep van belang, overwogen dat de minister met de overgelegde verzendadministratie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de correctiebesluiten daadwerkelijk op 12 maart 2020 aan het juiste adres van de onderneming zijn verzonden. De referentienummers op de verzendlijst van de WBSO-afdeling komen overeen met de referentienummers van de RVO-administratie, die in de bijlage bij het bestreden besluit staan vermeld. Ook komen de vermelde kenmerken die in de RVO-administratie staan vermeld overeen met de kenmerken die in de drie besluiten van 12 maart 2020 worden genoemd. De minister heeft een toelichting gegeven op de verzendlijst van de WBSO-afdeling. De WBSO-afdeling heeft de besluiten die op 12 maart 2020 zijn verzonden, op een verzendlijst geplaatst. De besluiten, waaronder de drie besluiten aan de onderneming, zijn geprint en ter controle op de lijst afgevinkt en geteld. Na de telling (434 stuks) zijn alle op de lijst vermelde besluiten overgedragen aan de postkamer. De postkamer heeft het aantal besluiten twee keer nageteld (beide keren 434 stuks). Vervolgens zijn de brieven, daarbij inbegrepen de drie besluiten aan de onderneming, direct aansluitend door de betreffende medewerker van de postkamer bij de post gedaan. De rechtbank is met de minister van oordeel dat dit voldoende blijk geeft van een zorgvuldige verzendadministratie. Verder is niet gebleken van problemen bij de verzending van de poststukken. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank verder geen aanleiding om te twijfelen aan de ontvangst door de onderneming van de besluiten van 12 maart 2020.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Standpunten van partijen
4.1
De onderneming heeft aangevoerd dat hij de correctiebesluiten niet heeft ontvangen. Dat deze besluiten naar het adres van de onderneming zijn verstuurd, kan kloppen, maar de minister heeft niet bewezen dat de besluiten ook daadwerkelijk op haar adres zijn aangekomen. De onderneming heeft in dat verband verwezen naar een overzicht van de kwaliteitscijfers van PostNL voor postbezorging over de periode van 2019 tot en met 2023. Verder heeft de onderneming betoogd dat de minister de besluiten per aangetekende post had moeten versturen. Anders dan bij gewone post, wordt de ontvangst van aangetekende post geregistreerd. De onderneming heeft er verder op gewezen dat zij voortvarend heeft gehandeld. Nadat zij post van de Belastingdienst ontving, heeft zij direct contact gezocht met de RVO en de besluiten alsnog via e-mail ontvangen.
4.2
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de verzending van de correctiebesluiten aannemelijk heeft gemaakt. Er is namelijk sprake van een deugdelijke en zorgvuldige verzendadministratie en van problemen bij de verzending van de poststukken is niet gebleken. Onder verwijzing naar uitspraken van het College en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, [1] stelt de minister dat het vervolgens op de weg ligt van de geadresseerde om de ontvangst van de stukken te ontzenuwen. Volgens de minister heeft de onderneming onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat de ontvangst van de besluiten redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De minister wijst er hierbij op dat uit de door de onderneming overgelegde informatie van PostNL is op te maken dat in het eerste kwartaal van 2020 97% van de zakelijke post door PostNL moet zijn bezorgd. Verder is er volgens de minister geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Wettelijk kader
5 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door het College
6 Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit, waarbij de minister het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, in stand heeft gelaten en zal dit hieronder toelichten.
6.1
De hoogste bestuursrechters hanteren als uitgangspunt dat als een besluit niet aangetekend wordt verzonden, het bestuursorgaan (in dit geval de minister) aannemelijk moet maken dat het besluit is verzonden. [2] Het bestuursorgaan kan daarbij in eerste instantie volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres, omdat per post verzonden stukken normaal gesproken de volgende dag worden bezorgd. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Als het bestuursorgaan de verzending aannemelijk heeft gemaakt, is het aan de geadresseerde (in dit geval de onderneming) om feiten naar voren te brengen op grond waarvan de ontvangst van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
6.2
Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de correctiebesluiten van 12 maart 2020 naar de onderneming zijn verzonden en geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de ontvangst van die besluiten door de onderneming. Het College onderschrijft de onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank en maakt deze overwegingen tot de zijne. In wat de onderneming in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals op de zitting met partijen is besproken, is niet in geschil dat de besluiten juist zijn geadresseerd. Ook zijn de besluiten voorzien van de juiste verzenddatum en is, gelet op de zorgvuldige registratie bij de postkamer, sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Verder is niet gebleken van problemen bij de verzending van de poststukken. De onderneming heeft ook in hoger beroep geen feiten naar voren gebracht op grond waarvan de ontvangst van de correctiebesluiten redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Anders dan de onderneming heeft betoogd, is de minister niet wettelijk verplicht besluiten aangetekend te verzenden. De onderneming heeft nog verwezen naar een overzicht van de kwaliteitscijfers van PostNL, maar hieruit kan slechts worden afgeleid dat zakelijke post in het eerste kwartaal van 2020 in 97% van de gevallen tijdig is bezorgd. Dit overzicht biedt op zichzelf geen concrete aanknopingspunten om aan de ontvangst van de correctiebesluiten te twijfelen.
6.3
Omdat de juiste verzending van de correctiebesluiten vaststaat en de onderneming geen feiten heeft gesteld op grond waarvan de ontvangst ervan redelijkerwijs kan worden betwijfeld, moet het ervoor worden gehouden dat de onderneming de besluiten kort na 12 maart 2020 heeft ontvangen. Met de rechtbank wordt daarom geoordeeld dat de minister het op 5 november 2021 ontvangen bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de termijn. Daarbij neemt het College in aanmerking dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De onderneming heeft dat ook niet gesteld.
7 Het onderzoek is aan het eind van de zitting gesloten. De onderneming heeft nog stukken ingediend na de zitting. Het College heeft geen reden gezien het onderzoek te heropenen naar aanleiding van deze stukken. Deze stukken worden daarom niet bij de beoordeling betrokken.
Slotsom
8 Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat het College de uitspraak van de rechtbank zal bevestigen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, mr. A. van Gijzen, mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. M.C. Verviers

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:41, eerste lid
1. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8, eerste lid
1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 6:9
1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Voetnoten

1.Uitspraken van het College van 18 juli 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BX4909), 3 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:127) en 15 juni 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:608) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:54).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 27 augustus 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:596), de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 mei 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:927), en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1277).