Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen
maatschap [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , te [woonplaats]
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop
Overwegingen
De maatschap stelt dat zij in de veronderstelling was dat zij op 20 november 2023 de aanvraag had ingediend. De maatschap heeft op de zitting toegelicht dat haar medewerkster [naam 4] naar het woonadres van [naam 2] is gegaan om namens de maatschap de aanvraag in te dienen, omdat [naam 2] beschikte over e-herkenning. [naam 4] heeft vervolgens ingelogd in de RVO-omgeving van de maatschap en de aanvraag ingediend, terwijl [naam 2] daarbij aanwezig was. Zodra de maatschap erachter kwam dat de aanvraag niet in het systeem van RVO geregistreerd was, heeft zij een melding overmacht gedaan. De maatschap stelt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. De minister legt de hardheidsclausule te beperkt uit, want deze wordt praktisch alleen toegepast als een aanvraag niet tijdig kon worden ingediend door overmacht. Volgens de maatschap staat het de minister niet vrij om een buiten de termijn ingediende aanvraag, waarbij niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsclausule, altijd om die reden af te wijzen. Dat kan onder bepaalde omstandigheden onevenredig zijn. De maatschap verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1153). De maatschap vindt dat de minister bij de belangenafweging mee had moeten wegen dat de maatschap een fors deel van haar jaarinkomen mis loopt en dat de minister zelf schuldig is aan de verwarring bij de uitvoering van het aanmeld- en aanvraagproces. De afwijzing is volgens de maatschap op zichzelf geschikt om de doelen te bereiken die met de eis van een tijdige aanvraag worden gediend, maar is in haar geval niet noodzakelijk en evenwichtig. De minister heeft bij de belangenafweging vooral gewicht toegekend aan de ordelijke uitvoering van de regeling en daarbij te weinig oog gehad voor de forse financiële gevolgen voor de maatschap. Door het niet kunnen aanvragen van GLB-steun voor 2023 loopt de maatschap een bedrag van circa € 19.000,- mis. De maatschap vindt dat de minister in dit geval op basis van het evenredigheidsbeginsel een deel van de aangevraagde GLB-steun dient uit te betalen, waarbij een onderscheid tussen de basispremie (inclusief de extra betaling eerste veertig hectare) en de nieuwe eco-regeling gerechtvaardigd is.