ECLI:NL:CRVB:1998:AA8751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- H. Bolt
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkeringen na beoordeling geschiktheid passende functies
Appellant kreeg een uitkering op grond van de AAW en WAO, welke door gedaagde werden ingetrokken wegens een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan respectievelijk 25% en 15%. Appellant voerde aan dat vijf van de voorgehouden functies medisch ongeschikt waren en dat bepaalde functies niet passend waren vanwege opleiding en vaardigheden. De Raad oordeelde dat gedaagde voldoende inzicht had gegeven waarom deze functies toch passend waren en dat appellant voldoende gekwalificeerd was.
Eerder was al vastgesteld dat appellant slechts gedurende zes weken geschikt was voor zijn werk als zaagspecialist en sindsdien als maatman moest worden beschouwd. Appellant stelde dat hij aanvankelijk wel geschikt was en pas na een val ongeschikt werd, maar kon dit niet onderbouwen met nieuwe feiten. De Raad oordeelde dat het besluit tot intrekking van de uitkeringen terecht was genomen.
De Raad verwierp ook het verweer dat artikel 12 AAW Pro van toepassing was en bevestigde dat appellant onvoldoende actieve inspanningen had verricht om passende arbeid te verkrijgen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de AAW- en WAO-uitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor passende functies.