ECLI:NL:PHR:2011:BQ9061
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing bedrijfsfusiefaciliteit bij overdracht klantenbestand coöperatie
De zaak betreft de navordering vennootschapsbelasting over 2003 door X U.A., die haar klantenbestand overdroeg aan G U.A. tegen uitreiking van lidmaatschapsrechten. De kern van het geschil is of de bedrijfsfusiefaciliteit van art. 14 Wet Pro Vpb van toepassing is, waardoor de overdrachtswinst niet belast zou hoeven worden.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de faciliteit niet van toepassing is omdat de waarde van de lidmaatschapsrechten die X ontving niet overeenkomt met de waarde van het overgedragen klantenbestand. Slechts circa 10% van de inbreng kan als bedrijfsfusie worden aangemerkt. Tevens werd geoordeeld dat de overdrachtswinst in 2003 viel, niet in 2004, ondanks een door X ingetrokken stelling.
De Hoge Raad bevestigt dat de bedrijfsfusiefaciliteit een adequate tegenprestatie vereist, ook al staat dit niet expliciet in de wet. De overdrachtswinst moet in het juiste jaar worden belast; de stelling dat dit 2004 zou zijn, is ingetrokken en kan niet opnieuw worden ingebracht zonder uitdrukkelijke toestemming. De zaak wordt verwezen voor feitelijk onderzoek naar de zelfstandigheid van het 10% belang dat wel gefacilieerd kan worden. De EU-Fusierichtlijn was in 2003 nog niet van toepassing op coöperaties, waardoor toetsing daaraan niet relevant is.
Uitkomst: De bedrijfsfusiefaciliteit is slechts voor circa 10% van de inbreng van toepassing; de overdrachtswinst valt in 2003 en de zaak wordt verwezen voor nader feitelijk onderzoek.