ECLI:NL:CRVB:1999:AA8580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.M. van der Kade
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Beoordeling resterende verdiencapaciteit en combineerbaarheid van functies bij arbeidsongeschiktheid
A, een internationaal chauffeur, werd arbeidsongeschikt verklaard vanwege knieklachten en ontving uitkeringen op grond van de AAW en WAO. Het Lisv trok deze uitkeringen per 1 maart 1995 in, omdat de arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op minder dan 25% respectievelijk 15%. De resterende verdiencapaciteit werd vastgesteld door een combinatie van voltijd- en deeltijdfuncties te selecteren.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat de geselecteerde functies in de praktijk gecombineerd konden worden, mede vanwege werk- en reistijden en totale belasting. Zowel A als het Lisv gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. A stelde dat verteervergoedingen als loon moesten worden meegeteld in het maatmaninkomen, terwijl het Lisv betoogde dat de functies wel degelijk gecombineerd konden worden.
De Raad oordeelde dat de verteervergoedingen onkostenvergoedingen zijn en niet als loon kunnen worden meegeteld. Daarnaast stelde de Raad vast dat de combinatie van functies niet realistisch is, omdat slechts vier voltijd- en twee deeltijdfuncties in dezelfde regio liggen, wat onvoldoende is voor een reële combinatie. Het hoger beroep van beide partijen werd daarom afgewezen.
Verder veroordeelde de Raad het Lisv tot schadevergoeding wegens nalatigheid in de uitkeringsbetaling vanaf 1 maart 1995, inclusief wettelijke rente en proceskosten. Tevens werd een griffierecht geheven. De uitspraak bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en benadrukt het belang van realiteitswaarde bij het vaststellen van resterende verdiencapaciteit.
Uitkomst: Het hoger beroep van zowel A als het Lisv wordt afgewezen en het Lisv wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.