ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.C. van Sloten
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag zonder zwaarwegende reden
Appellant ontving vanaf 1 maart 1996 een WW-uitkering en werkte vanaf 1 juli 1996 als datatypist via een uitzendbureau bij een inlenend bedrijf. Op 6 augustus 1996 nam hij ontslag, met de reden dat hij een baan bij een makelaarskantoor zou krijgen. Hij vroeg daarop opnieuw een WW-uitkering aan, die door gedaagde werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij zonder zwaarwegende reden ontslag had genomen terwijl voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van hem kon worden gevergd. Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat de verhuizing van het bedrijf en de aard van het werk bezwaarlijk waren, en dat hij oogklachten had. Deze bezwaren werden door de Raad en rechtbank verworpen.
De Raad oordeelde dat er geen concreet vooruitzicht op ander werk bestond en dat appellant nog zeker enkele maanden passend werk had kunnen verrichten indien hij was meegegaan met de verhuizing. Het niet verschijnen van appellant bij de zitting leidde ertoe dat de Raad besliste op basis van de beschikbare gegevens. De Raad bevestigde dat de weigering van de WW-uitkering terecht was, omdat appellant de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen had overtreden en er geen omstandigheden waren die dit in overwegende mate onbillijk maakten.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel werd door de Raad verworpen omdat de wetgever met de wettelijke regeling reeds een volledige afweging heeft gemaakt. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.