ECLI:NL:CRVB:2012:BW5724
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na diefstal
Appellante trad op 8 december 2008 in dienst bij een zorginstelling en werd op 4 december 2009 op staande voet ontslagen wegens diefstal van cliëntengelden. Het UWV weigerde daarop haar WW-uitkering met ingang van die datum, omdat zij verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de diefstal een dringende reden vormde en dat geen sprake was van verminderde verwijtbaarheid.
In hoger beroep stelde appellante dat de volledige weigering van de uitkering een te zware maatregel was. De Raad overwoog dat appellante de diefstal had erkend en geen omstandigheden had aangevoerd die tot verminderde verwijtbaarheid konden leiden. De wetgever heeft met artikel 27, eerste lid, van de WW een verplichte maatregel voorgeschreven die toetsing aan het evenredigheidsbeginsel door bestuur en rechter beperkt.
De Raad concludeerde dat het UWV de uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling van het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De volledige weigering van de WW-uitkering aan appellante wordt bevestigd wegens verwijtbare werkloosheid na diefstal.