ECLI:NL:CRVB:2001:AD3425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- M.M. van der Kade
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Aanspraak op ziekte-uitkering bij aflopen tijdelijke taakuitbreiding in het onderwijs
Appellante was vanaf 1 augustus 1995 in vaste dienst bij het openbaar onderwijs met een tijdelijke taakuitbreiding van 8 uur en 42 minuten per week tot 31 juli 1996. Zij werd op 19 oktober 1995 arbeidsongeschikt en vroeg per 1 augustus 1996 een ziekte-uitkering aan. Deze werd afgewezen op grond van artikel 39, eerste lid, van het BZA, omdat de arbeidsongeschiktheid voortkwam uit het aflopen van de tijdelijke taakuitbreiding.
De Raad overwoog dat hoewel artikel 39, eerste lid, BZA niet expliciet aanspraak gaf bij het aflopen van een tijdelijke taakuitbreiding, het de bedoeling was de bestaande praktijk uit artikel I-E19 van het Rpbo voort te zetten, waarin dergelijke aanspraken wel werden erkend. De Raad verwierp de stelling van gedaagde dat het begrip ontslag in het Rpbo ook het aflopen van een tijdelijke taakuitbreiding omvatte en dat dit niet gold voor het BZA.
De Raad concludeerde dat het BZA geen ruimte bood om de aanvraag af te wijzen op de grond dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg was van het aflopen van een tijdelijke taakuitbreiding. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak werden vernietigd en gedaagde werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De aanvraag ziekte-uitkering kon niet worden afgewezen vanwege het aflopen van een tijdelijke taakuitbreiding; het besluit wordt vernietigd en gedaagde moet een nieuw besluit nemen.