ECLI:NL:CRVB:2001:AD5983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fictieve opzegtermijn en rentevergoeding bij WW-uitkering
Betrokkene was sinds 1971 in dienst bij een werkgever en werd in februari 1999 ontslagen met een vergoeding. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) kende een WW-uitkering toe met ingang van 1 augustus 1999, rekening houdend met de aanzegtermijn en een opzegtermijn van drie maanden overeengekomen tussen betrokkene en werkgever.
Betrokkene stelde dat de ingangsdatum van de uitkering op 1 mei 1999 moest worden vastgesteld, conform de overeengekomen opzegtermijn. De rechtbank vernietigde het besluit van het Lisv en gaf opdracht tot een nieuw besluit, maar de Raad vernietigt die opdracht en verklaart het beroep tegen het besluit van 5 april 2001 ongegrond.
De Raad stelt vast dat de wettelijke fictieve opzegtermijn voor de werkgever vier maanden bedraagt op grond van artikel 7:672 BW Pro, met aftrek van één maand (de Rda-maand). De opzegtermijn begint op 23 februari 1999 en eindigt op 22 mei 1999, met de aanzegtermijn tot 31 mei 1999. De WW-uitkering gaat derhalve in op 1 juni 1999.
Verder veroordeelt de Raad het Lisv tot vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling vanaf 1 juli 1999 en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan betrokkene.
Uitkomst: De Raad oordeelt dat de WW-uitkering ingaat op 1 juni 1999 en veroordeelt het Lisv tot rentevergoeding en proceskosten.